DEEL 8: De schaduw onder de boom
Het moment dat Arthur die dreigende beweging maakte, leek de tijd opnieuw stil te vallen. De sirenes van de brandweer loeiden nog zachtjes na, de brandweerlieden liepen af en aan met slangen en apparatuur, maar voor mij bestond er even alleen nog die donkere gestalte onder de plataan aan de overkant van de straat. Toen ik met knipperende ogen opnieuw keek, was hij verdwenen. Alsof hij nooit had bestaan, was hij opgeslokt door de schaduw van de nacht. Maar de angst die hij had achtergelaten, brandde diep in mijn borst.
‘Gaat het, schat?’ vroeg de verpleegster bezorgd, terwijl ze merkte dat ik plotseling verstijfde en mijn adem inhield. Ik knikte werktuiglijk, hoewel mijn hart tekeerging als een bezetene. Ik besloot om tegen de verpleegster te zeggen dat het goed met me ging en weigerde om naar het ziekenhuis te worden gebracht. Mijn moeder was er minstens zo slecht aan toe; ze staarde wezenloos voor zich uit, haar handen nog steeds gewikkeld in die blauwe reddingsdeken, terwijl de politieagenten nu op ons af kwamen lopen om hun eerste vragen te stellen.
Twee agenten in uniform, een oudere man met een doorgewinterde blik en een jongere vrouwelijke collega, namen plaats voor onze ambulance. ‘Goedenavond,’ begon de oudste agent, agent De Jong, terwijl hij zijn notitieblok tevoorschijn haalde. ‘We krijgen melding van brandstichting en bedreiging. Kunnen jullie ons vertellen wat hier precies is gebeurd?’ Mijn moeder kon geen woord uitbrengen; haar keel was dichtgeknepen door de schok en de rook.
Ik nam het woord en vertelde in snelle, heldere zinnen het hele verhaal. Ik vertelde over Julian, over zijn echte naam Arthur Vance, over de ontdekking van zijn strafblad in Londen, en over hoe hij was teruggekomen om de bewijzen te verbranden en ons te bedreigen.
De agenten luisterden met toenemende concentratie. Toen ik de naam Arthur Vance noemde, wisselden de twee een snelle blik uit. De oudere agent fronste zijn voorhoofd diep. ‘Arthur Vance, zeg je? Die naam komt me bekend voor. Er loopt vanuit interpol en de landelijke recherche al een tijdje een onderzoek naar een international oplichtingsnetwerk dat zich voordoet als welgestelde investeerders om vrouwen op te lichten. Als jij zegt dat hij hier is geweest…’
‘Hij is hier niet alleen geweest, hij heeft onze woonkamer in brand gestoken!’ viel ik hem in de paniek van het moment in de rede. ‘En hij staat nu ergens daarbuiten! Ik heb hem net nog aan de overkant van de straat gezien!’ Agent De Jong reageerde onmiddellijk. Hij tikte tegen zijn portofoon en gaf direct aan al zijn collega’s in de omgeving door dat ze moesten uitkijken naar een blanke man van middelbare leeftijd met een donkere jas. Maar ik wist diep van binnen dat het te laat was. Een man als Arthur Vance liet geen sporen achter. Hij was al lang verdwenen in de duisternis, op weg naar een volgende schuilplaats of een nieuw slachtoffer.
Die nacht konden we niet in ons huis slapen. De benedenverdieping was zwaar beschadigd door rook- en roetschade, en de geur van brand hing overal als een verstikkende herinnering. Gelukkig bood onze lieve buurvrouw, mevrouw Jansen, ons direct onderdak aan in haar logeerkamer aan de overkant van de straat. Die nacht lag ik urenlang wakker in het donker, starend naar het plafond, luisterend naar elk geluidje van buiten. Naast me in het bed lag mijn moeder, die af en toe zachtjes in haar slaap steunde, gevangen in nachtmerries over de man die haar hart had gestolen om het vervolgens in brand te steken.
De volgende ochtend scheen de zon fel door de gordijnen van de logeerkamer, maar het kon de kilte in mijn botten niet verdrijven. Rond acht uur werd er zachtjes op de deur geklopt. Het was agent De Jong die terugkwam met een eerste update. Hij keek bezorgd toen we in de woonkamer van mevrouw Jansen op de bank zaten met een kop sterke koffie. ‘We hebben de omgeving uitgekamd,’ zei hij direct ter zake. ‘Geen spoor van de verdachte. Geen auto, geen achtergelaten spullen. Het lijkt erop dat hij te voet is gevlucht naar een klaarstaande auto om de hoek.’
‘Dus hij is vrij?’ vroeg ik met een brok in mijn keel. ‘Hij kan gewoon doorgaan met waar hij mee bezig is?’ De agent haalde zuchtend zijn schouders op. ‘Voorlopig wel. Maar we hebben jouw verhaal genoteerd, en we nemen contact op met de Britse autoriteiten om zijn dossier hier te koppelen. Alleen… er is nog iets anders waar jullie rekening mee moeten houden.’ Hij keek even naar mijn moeder voordat hij verderging. ‘Uit een eerste controle van jullie brandende woonkamer blijkt dat de salontafel niet het enige was wat doorzocht is. Zijn er spullen verdwenen? Waardevolle spullen, documenten, of…’
Mijn moeder schrok hevig. Haar ogen vlogen open. Ze stond abrupt op van de bank en greep naar haar handtas die op de stoel ernaast lag. Ze opende de rits, haalde haar portemonnee en haar mapje met officiële papieren tevoorschijn en begon er koortsachtig doorheen te bladeren. En toen sloeg ze haar hand voor haar mond, terwijl een verstikte kreet van pure paniek door de kamer echode. ‘Zijn… zijn weg,’ fluisterde ze, terwijl haar handen zo erg trilden dat de papieren op de grond vielen. ‘Mijn paspoort… mijn spaarbankrekeningoverzichten… en de akte van het huis… Alles is weg.’






