DEEL 6: Het vuur op de tafel
De vlamgreep van het papier ging zo snel dat we er aanvankelijk door werden verlamd. Binnen enkele seconden stond het politierapport op de salontafel in lichterlaaie. Het felle, gele vuur verlichtte de donkere woonkamer en wierp enge, dansende schaduwen op de muren. ‘Nee! Wat doe je?!’ schreeuwde mijn moeder, terwijl ze reflexmatig naar voren sprong om het vuur te doven. Ik greep haar vast en trok haar achteruit, net op tijd, want Arthur haalde met zijn voet uit en schopte de brandende papieren op het dikke vloerkleed, waar de vlammen zich onmiddellijk begonnen te voeden met de stof.
‘Jullie denken dat een paar stukjes papier genoeg zijn om mij tegen te houden?’ riep Julian, terwijl zijn ogen wild glansden in het schijnsel van het vuur. Hij stond nu tussen ons en de voordeur in, waardoor onze enige ontsnappingsroute naar de hal werd geblokkeerd. Hij was niet langer de charmante, beleefde man die een uurtje geleden nog beleefd om een tweede kopje thee had gevraagd. Dit was de ware aard van Arthur Vance: meedogenloos, agressief en bereid om over lijk te gaan om zijn sporen te wissen.
‘Brand!’ roep ik paniekerig, terwijl ik zag hoe de vlammen op het kleed groter werden en er dikke, zwarte rookwolken opstegen richting het plafond. ‘Mam, pak water! Snel!’ Maar Sarah stond aan de grond genageld. Ze keek niet eens meer naar het vuur; haar ogen waren volledig gericht op de man van wie ze had gehouden, de man die haar leven binnen was gekomen onder valse pretenties en die nu blijkbaar bereid was om haar hele huis in de as te leggen om zijn eigen hachje te redden. Het besef dat ze bijna al haar bezittingen, haar veiligheid en haar toekomst aan dit monster had toevertrouwd, leek haar volledig te verlammen.
Julian deed een stap in onze richting. Hij lachte grimmig, een nare, snerpende lach die niets menselijks meer in zich had. ‘Luister heel goed naar mij,’ zei hij met een stem die over het knetterende geluid van het vuur heen klonk. ‘De politie krijgt dit nooit te horen. En als jullie ook maar één woord tegen iemand reppen over wie ik ben, dan zorg ik ervoor dat jullie leven hier een hel wordt. Ik weet waar je werkt, Claire. Ik weet waar je moeder woont. Ik heb overal kopieën van jullie gegevens.’ Dat was bluf, moest het wel zijn, maar in de hectiek van het moment klonk het angstaanjagend overtuigend.
‘Geloof hem niet!’ schreeuwde ik door de kamer heen, terwijl ik met mijn vrije hand naar de plantenspuit greep die op de vensterbank stond. Zonder na te denken richtte ik de spuit op het vuur en begon als een gek te knijpen, hopend dat het de vlammen zou doven. Maar het vuur op het kleed was al te groot geworden; de plantenspuit deed amper iets tegen de vlammenzee die zich inmiddels uitbreidde richting het gordijn. De hitte sloeg inmiddels in onze gezichten en de stank van schroeiend plastic en papier vulde de hele ruimte.
Arthur leek te schrikken van de snelheid waarmee het vuur om zich heen greep. Zelfs voor een doorgewinterde crimineel werd dit kennelijk te gortig. Hij wilde geen moordenaar worden, hij wilde alleen geld en stilte. Met een vloek draaide hij zich om, liet ons in de brandende woonkamer achter enrende naar de voordeur. We hoorden hoe hij de deur opendrukte, de nacht in vluchtte en de deur met een keiharde klap achter zich dichtsmere.
‘Claire! Het… het vuur!’ krijsde mijn moeder nu pas, wakker geschud door de dreigende realiteit dat het huis dreigde af te branden. ‘Pak de emmer uit de keuken!’ Ik dacht geen seconde langer na. Ik liet de plantenspuit vallen, rende in de richting van de keuken en rukte de kraan open. Maar toen ik met een volle emmer water terugkeerde naar de woonkamer, zag ik dat het vuur inmiddels al een deel van het tv-meubel had bereikt, en de rook zo dik was geworden dat we amper nog konden ademhalen. We hadden nog maar een paar minuten voordat de brand de hele woning zou verzwelgen.






