DEEL 12: De val sluit zich
Het dichtslaan van de zware deur achter me galmde door de lege loods als een schot uit een vuurwapen. Ik schrok zo hevig dat ik meteen omkeerde en naar de uitgang rende. Maar het was al te laat. De zware schuifdeur was door een onzichtbare hand volledig dichtgetrokken, en ik hoorde hoe er aan de buitenkant een zware metalen grendel met een luide klik werd omgedraaid. We zaten vast. Samen, in deze donkere, ijskoude ruimte aan de rand van de wereld.
Mijn hart bonst in mijn keel en ik draaide me met een ruk weer om naar Arthur. Hij stond nog steeds bij de houten tafel, maar nu met een uitdrukking op zijn gezicht die niet langer koel was, maar volslagen onvoorspelbaar. De rustige, berekende oplichter leek plaats te hebben gemaakt voor iets veel donkers. ‘Denk je echt dat ik hier alleen ben, Claire?’ zei hij, en zijn stem klonk bijna spottend. ‘Denk je echt dat ik het risico zou nemen om in mijn eentje met jou af te spreken, wetende dat je moeder naar de politie is gerend?’
Die woorden sloegen in als een bom. Weting dat je moeder naar de politie is gerend? Dat kon niet waar zijn. Ik had mijn moeder op het hart gedrukt om in de veilige woning van mevrouw Jansen te blijven, onder het toeziend oog van agent De Jong. Ze zou toch niet… Voordat ik mijn gedachten kon afmaken, klonk er aan de andere kant van de loods een scherp geluid, alsof een zijdeur werd opengetrapt. En daar verscheen een tweede gestalte in het zwakke licht.
Het was een man die ik nog nooit eerder had gezien: breedgeschouderd, in een donkere leren jas, met een kil litteken dat over zijn rechterwang liep. In zijn hand hield hij iets vast dat in het zwakke licht akelig glinsterde. Mijn adem stokte in mijn keel. Het was een handwapen, voorzien van een zwarte demper. Mijn maag keerde zich om. Dit was geen ordinaire oplichting meer. Dit was niet langer een spelletje van geld en valse namen. Dit was bittere ernst, en we waren in een regelrechte val gelopen.
‘Arthur, hou hiermee op,’ riep ik, en voor het eerst hoorde ik de paniek in mijn eigen stem doorklinken. ‘Dit gaat veel te ver! Als je ons iets aandoet, kom je er nooit mee weg! De politie weet dat ik hier ben!’ Het was een wanhopige bluf, en Arthur wist dat donders goed. Hij glimlachte flauw, schudde langzaam zijn hoofd en liep een stap naar voren. ‘De politie weet helemaal niets, Claire. Jij hebt je telefoon in de auto laten liggen, of ben je vergeten dat ik je signaal heb laten storen voordat je uitstapte?’
In een flits realiseerde ik me dat hij gelijk had. Mijn telefoon lag inderdaad op de bijrijdersstoel van de stationwagon, en de batterij of het bereik was inderdaad volledig weggevallen. Er was niemand die wist waar ik was. Mijn moeder zat mij waarschijnlijk in doodsnood op te wachten bij de buurvrouw, terwijl ik hier in een verlaten loods stond tegenover twee criminelen die niets te verliezen hadden. De man met het litteken liep langzaam om me heen, zijn ogen snijdend in mijn rug, terwijl hij het wapen losjes in zijn hand hield.
‘Wat wil je?’ vroeg ik, mijn stem trillend maar dwingend, terwijl ik probeerde te bedenken hoe ik mezelf hieruit kon redden. ‘Je hebt de documenten. Je hebt alles wat je wilde. Laat mij gaan.’ Arthur zuchtte diep, alsof hij teleurgesteld was in mijn gebrek aan inzicht. ‘Het gaat niet meer om de documenten, Claire. Het gaat om jou. Jij en je moeder hebben te veel vragen gesteld. Jullie hebben te diep gegraven in het verleden dat ik zo zorgvuldig heb opgebouwd.’
Hij maakte een klein knikje naar de man met het litteken. De man zette de pas aan en kwam met grote streden op me af. Mijn hand greep in een reflex naar de bus pepperspray in de zak van mijn jas, klaar om hem eruit te trekken en van zich af te slaan zodra hij te dichtbij zou komen. Maar voordat ik mijn arm kon bewegen, klonk er ineens een luid en angstaanjagend geluid van buiten: het krijsende geluid van gillende banden op het asfalt, gevolgd door het loeien van meerdere politnesirenes die met donend geweld het industrieterrein opreden.






