DEEL 11: Het industrieterrein aan de rand
De rit naar het industrieterrein in de oude stationwagon van mevrouw Jansen voelde als een eindeloze lijdensweg. De ruitenwissers tikten monotoon in het ritme van mijn bonzende hart, terwijl de grauwe lucht boven de stad een druilerige regen begon uit te storten. Mijn moeder had gesmeekt om mee te gaan tot aan de hoek van de straat, maar ik had haar met moeite kunnen overtuigen om achter te blijven in de veilige woning van onze buurvrouw, onder toeziend oog van agent De Jong, die inmiddels was ingelicht over het dreigende bericht (al had ik wijselijk verzwegen dat ik in mijn eentje naar de afspraak zou gaan).
Om tien voor elf reed ik met piepende banden het verlaten industrieterrein op. De straten hier waren doods en verlaten, omringd door enorme, krakende loodsen uit de jaren tachtig waarvan de ramen grotendeels waren ingeslagen. Roestige vrachtwagens stonden her en der geparkeerd, hun banden leeggelopen, als stille getuigen van een vervlogen economische bloeiperiode. Volgens het adres dat in het tekstbestand stond vermeld, moest ik bij loods nummer 42 zijn, helemaal achteraan het terrein, vlak bij het water van de oude haven.
Ik schakelde de motor uit, maar liet de radio zachtjes aanstaan om wat achtergrondgeluid te hebben in deze akelige stilte. De regen tikt luid op het dak van de auto. Ik haalde diep adem, keek nog één keer naar mijn telefoon – geen bereik, natuurlijk, alsof hij een stoorzender had ingeschakeld – en duwde toen het portier open. De frisse, zilte lucht sloeg in mijn gezicht. Met trillende benen stapte ik uit en deed de deur achter me dicht. Het geluid echode hol over het asfalt.
Loods 42 stond voor me: een groot, vervallen gebouw van golfplaat met een zware schuifdeur die een stukje openstond. Uit de opening ontsnapte een zwakke, gele gloed van een gloeilamp die ergens binnen aan een snoer bungelde. Ik liep met langzame, voorzichtige stappen naar de ingang toe. Elke stap voelde alsof ik dichter bij een leeuwenkuil liep. Mijn handen zaten diep in de zakken van mijn regenjas, strak om de pepperspray geklemd die ik in alle haast uit de tas van mevrouw Jansen had geleend.
‘Is er iemand?’ riep ik, en mijn stem klonk angstaanjagend hol in de immense ruimte van de loods. Geen antwoord. Alleen het druppelen van regenwater dat door het lekke dak naar beneden viel op een lege oliedrum. Ik zette mijn voet over de drempel en stapte naar binnen. De geur van muf staal, olie en stof vulde mijn neus. Het was er ijskoud. In het midden van de open ruimte stond een oude houten tafel, en daarop lag precies datgene waar ik voor gekomen was: de donkerblauwe map van mijn moeder, met de documenten en paspoorten netjes uitgespreid.
‘Ik ben er,’ riep ik luider, terwijl ik om me heen keek naar de donkere hoeken waar de schaduwen langzaam bewogen door de wind die door de kieren naar binnen floot. ‘Laat je zien! Ik ben gekomen zoals je vroeg!’ Plotseling klonk er een geluid van krakend hout ergens van de bovenverdieping, een metalen loopbrug die langs de wanden van de loods liep. Ik keek omhoog. Daar, in de schemering van de hoge nok, stond een gestalte te kijken. Het silhouet van een man in een lange jas.
‘Goed zo, Claire,’ klonk de stem, versterkt door de akoestiek van de lege loods. Het was Arthur. Hij zette de eerste stap naar beneden op de metalen trap, en met elke trede die hij nam, kwam hij dichter bij het licht. Toen hij onder de bungelende gloeilamp trad, zag ik zijn gezicht pas goed. De vriendelijke glimlach was definitief verdwenen; zijn gezicht was grauw, zijn ogen stonden koud en onverschillig. ‘Ik wist dat je slim genoeg zou zijn om in je eentje te komen.’
‘Waar zijn de andere papieren, Arthur?’ vroeg ik, mijn stem trilde nauwelijks, hoewel ik van binnen doodsangst uitstond. Ik hield mijn hand strak om de bus pepperspray in mijn zak geklemd. Arthur glimlachte minachtend, deed zijn handen in zijn zakken en liep langzaam om de houten tafel heen, vlak bij de map met documenten. ‘Alles op zijn tijd, Claire,’ zei hij op een toon die me deed rillen.
‘Je moeder dacht dat ze mij kon vangen met een paar uitgeprinte artikeltjes uit het verleden. Maar ze heeft geen idee hoe groot dit netwerk is. En jij staat nu op het punt om daar een heel dure les in te leren.’ Voordat ik kon reageren, hoorde ik achter me plotseling het geluid van een zware deur die met een harde klap in het slot viel.






