De Laatste Schakel
De felle lichtbundel van de zaklamp sneed door het duisternis van de keuken en verblindde me direct. Ik hield mijn hand voor mijn ogen, terwijl ik Ethan zo strak mogelijk tegen me aangedrukt hield. De voetstappen kwamen dichterbij. Ik hoorde het geluid van een veiligheidspal die van een wapen werd geklikt. Het metalen geluid klonk als een doodvonnis in de kleine ruimte.
‘Mevrouw Jansen,’ zei de man met de rauwe stem. Het was niet de man met het litteken; dit was een grotere, breder gebouwde figuur in een ongemerkte kogelwerende vest zonder kentekens. ‘U heeft het ons wel erg lastig gemaakt.’
Ik zweeg. Mijn gedachten vlogen naar het bericht dat ik zojuist had verzonden. Wat had Sarah bedoeld met ‘Druk op de knop’? Was het de knop op het zwarte apparaatje in de gang, of was het de digitale knop op mijn scherm?
‘Waar is het dossier?’ vroeg de man streng, terwijl hij zijn zaklamp liet zakken zodat ik zijn gezicht kon zien. Een ruwe kop, littekens op zijn wang, en ogen die volledig doods aanvoelden. ‘U weet net zo goed als ik dat u dat niet kunt winnen van ons.’
‘Ik weet niets,’ loog ik, hoewel mijn stem trilde van angst. ‘Het bestand is al weg. Het is naar de pers gestuurd.’
De man lachte kort, een hees, ongelovig geluid. ‘Mevrouw, uw internet lag er al uit voordat u überhaupt de kans kreeg om iets te versturen. Denk maar niet dat we niet op alles zijn voorbereid.’
Hij stak zijn hand uit om Ethan bij zijn arm te grijpen en hem omhoog te trekken.
‘Blijf van mijn zoon af!’ gilde ik, en met een laatste wanhopige krachtsinspanning gooide ik mezelf voor Ethan, waarbij ik de man tegen zijn schenen schopte.
De man struikelde naar achteren, vloekend van pijn, en tilde zijn wapen op om mij te raken. ‘Dan ruimen we jullie allebei uit de weg,’ siste hij, en zijn vinger legde zich om de trekker.
Op dat exacte moment klonk er een oorverdovende knal van buiten. De achterdeur werd met zoveel kracht naar binnen geblazen dat de houten kozijnen in duizend stukken splinterden. Een rookgroot en een flits van verblindend licht vulden de keuken.
‘POLITIE! NIET BEWEGEN!’ galmde het door het huis, maar het was geen gewone politie. Het waren zwaarbewapende eenheden in zwarte uniformen met helmen en nachtkijkers, die door de achterdeur naar binnen stormden alsof het een militaire inval betrof.
Binnen een fractie van een seconde lag de man met het kogelwerende vest plat op de grond, met drie zware knieën in zijn rug en een pistool tegen zijn slaap gedrukt.
‘Ligging veilig! Doelwit beveiligd!’ schreeuwde een van de mannen in het zwart, wiens gezicht schuilging achter een bivakmuts.
Een gestalte liep naar voren door de rook en de rookgassen. Ze droeg een zware jas, had halflang blond haar en een vastberaden blik in haar ogen die ik meteen herkende van de foto’s die Mark me jaren geleden had laten zien.
Sarah.
Ze liep direct naar mij toe, trok me overeind en sloeg haar armen om me heen. ‘Gaat het?’ vroeg ze dringend. ‘Zijn jullie gewond?’
‘Ethan…’ bracht ik uit, terwijl ik naar mijn zoontje wees dat nog steeds trillend op de grond zat. ‘De chip… achter zijn oor…’
Sarah knikte streng. Ze gebaarde naar een man in een medisch pak die direct achter haar aanliep. ‘Pak de scanner. We halen dat ding er nu meteen uit voordat ze op afstand iets activeren.’
De medicus knelt zich neer naast Ethan, haalde een klein, futuristisch apparaatje uit zijn koffer en hield het tegen de linkeroor van mijn zoon. Er klonk een zachte pieptoon, gevolgd door een klein magnetisch klikje.
Met een pincet tilde de man het minuscule zwarte schijfje uit de plooi van Ethans huid en gooide het in een loden bakje dat hij direct hermetisch afsloot.
Ethan haalde diep adem, alsof hij voor het eerst in uren weer echte lucht in zijn longen kreeg. ‘Mam?’ zei hij met een zwakke glimlach. ‘Is de enge man weg?’
‘Ja, schat,’ antwoordde ik, terwijl de tranen van ontlading rijkelijk over mijn wangen stroomden. ‘Hij is weg.’
Sarah keek me aan, haar gezicht strak en bezorgd. ‘Dit is pas het begin, lieverd,’ zei ze zachtjes. ‘Het project Pandora is groter dan we dachten. En ze zullen niet stoppen voordat ze alles hebben gewist – inclusief ons.’






