Het Einde van het Begin
De piepjes uit de loden koker werden luidsser, sneller, bijna mechanisch geagiteerd. Het geluid sneed door de spanning in de bus alsof er een tikkende tijdbom lag te wachten op het juiste moment om te ontploffen.
‘Sarah!’ riep ik uit, terwijl ik Ethan steviger tegen me aan drukte en beschermend over zijn hoofd boog. ‘Die koker… hij reageert ergens op!’
Sarah keek in de achteruitkijkspiegel. Haar gezicht was lijkbleek in het zwakke dashboardlicht. ‘Ze volgen het signaal!’ schreeuwde ze boven het loeien van de motor uit. ‘Die chip was niet alleen een zender; het was een baken! Ze wisten de hele tijd al waar we waren!’
De twee zware terreinwagens achter ons kwamen angstaanjagend dichtbij. De koplampen verblindden ons via de achterruit; de grill van de voorste wagen schampt al bijna de bumper van onze bus met een luide, metalen schraap.
‘Hou je vast!’ roept Sarahs bestuurder, een man met een breed postuur en een militaire opleiding, en hij rukt het stuur met een wilde zwieper naar links, de afslag van een verlaten industrieterrein op.
De bus slingert gevaarlijk over het asfalt, de banden piepen en roken van de wrijving, en we worden allemaal naar opzij geslingerd. Ethan wordt wakker door de schok en slaakt een korte, angstige kreet, maar ik houd hem stevig vast. ‘Stil maar, lieverd, alles komt goed,’ lieg ik opnieuw, terwijl ik zelf weet dat de kans op een goede afloop met de seconde slinkt.
We rijden een doodlopend terrein op, omringd door roestige zeecontainers en verlaten loodsen. Onze bus komt met een noodstop tot stilstand tegen een hoog hekwerk dat de grens vormt met het donkere water van een industriële haven.
Het is een valstrik. We zitten in de fuik.
De twee terreinwagens stoppen direct achter ons, blokkeren de enige uitweg en zetten hun motoren uit. De deuren slaan met een harde klap open. Zware stappen stampen over het grind.
Sarah pakt haar wapen uit haar schouderholster, laadt het met een snelle beweging en kijkt me strak aan. ‘Als ik zeg rennen, ren je naar die loods achter het hek. Niet achterom kijken. Begrepen?’
‘En jij dan?’ vraag ik met een brok in mijn keel.
Sarah lacht bitter. ‘Ik zorg dat ze ons niet volgen.’
De deuren van onze bus worden met brute kracht opengeduwd. Het koude nachtlicht stroomt naar binnen, en in de deuropening verschijnt de gestalte van de man met het litteken op zijn kin. Zijn gezicht is strak van een triomfantelijke glimlach, en in zijn hand houdt hij niet langer een afstandsbediening, maar een zwaar, militair aanvalsgeweer dat direct op ons is gericht.
‘Eindspel, mevrouw Jansen,’ zegt hij met een kalme, ijzige stem die over het industrieterrein galmt. ‘Geef de jongen hier. En dan kunnen we praten over hoe we dit netjes gaan afronden.’
Ethan huilt zachtjes in mijn armen, en ik kijk naar de koude loop van het geweer. Ik weet dat we nog maar één seconde hebben om te beslissen of we vechten of toegeven. Maar net op het moment dat de man zijn vinger naar de trekker brengt, flikkert het licht in de verre havenkranen aan, en klinkt er vanaf het water het dreigende geluid van een naderende helikopter die door de mist breekt.
En wat er dan uit de lucht neerdaalt, verandert alles wat we dachten te weten over wie er echt aan de touwtjes trekt.






