De woorden van de gehate scheepskapitein bleven als een giftige nevel in de lucht van de besturingstoren hangen. Het echte hoofd zit in het ziekenhuis.
Milan en ik keken elkaar aan, en de verlichting die we zojuist voelden veranderde direct weer in een ijskoude paniek.
"Julian..." fluisterde ik met een verstikte stem.
"Inspecteur!" riep Milan fel tegen de leider van het arrestatieteam. "We moeten onmiddellijk terug naar het Sint-Elisabeth ziekenhuis! Julian is daar alleen!"
De inspecteur fronste zijn wenkbrauwen, terwijl zijn agenten de boeien om de polsen van de kapitein strakker trokken. "Wat bedoel je? Mevrouw Van den Berg en haar zoon Eric zijn toch gearresteerd? Ze zijn onder begeleiding afgevoerd!"
"Victoria en Eric waren niet de leiders!" zei Milan met een stem vol woede en afschuw. "Ze waren alleen de marionetten! Er is iemand anders in het ziekenhuis... iemand die we al die tijd over het hoofd hebben gezien!"
Mijn gedachten flitsten met rasende snelheid terug naar de gebeurtenissen van de afgelopen uren. De dokters, de verpleegkundigen, de anonieme telefoontjes... En plotseling viel het laatste, vreselijkste puzzelstukje op zijn plek.
"Dr. Jacobs..." prevelde ik, mijn ogen wijd van afgrijzen.
Dr. Jacobs. De hoofdarts van de intensive care. De man die Julian onder comateuze toestand hield. De man die mij zo bereidwillig toegang gaf tot kamer 304. De man die dertig jaar geleden al als jonge assistent-arts werkte in het oude Sint-Elisabeth ziekenhuis toen mijn tweeling werd gesplitst!
"Hij was degene die de medische dossiers heeft vervalst!" schreeuwde ik. "Hij was het die zuster Clara en zuster Renée heeft betaald! Hij is het hoofd van de medische smokkelketen van de 'Schapenkop'!"
De inspecteur bedacht zich geen seconde. Hij greep zijn porto-foon. "Aan alle eenheden bij Sint-Elisabeth! Onmiddellijke vergrendeling van kamer 304! Hoofdarts Jacobs is een verdachte van de hoogste categorie! Blijf bij de patiënt!"
Uit de luidspreker van de portofoon klonk echter alleen maar statische ruis en een nerveuze stem van de lokale politie: "Inspecteur... we hebben een probleem. Er is een stroomstoring op de derde verdieping van het ziekenhuis. De noodgeneratoren zijn uitgevallen en de bewaking bij kamer 304 reageert niet meer!"
"Mijn god, nee!" gilde ik.
We rennen de besturingstoren uit, negeerden de pijn in mijn enkel volledig en sprongen in de snelste politieauto op de kade. De inspecteur zette de sirenes en de rode en blauwe zwaailichten aan. De auto schoot met gierende banden het dok uit, de snelweg op, raasend naar het centrum van Antwerpen.
De rit door de stad leek een eeuwigheid te duren. Buiten scheen de morgenzon fel over de historische gildehuizen en de kades, maar in mijn hoofd heersche duisternis. Dertig jaar lang had ik mijn zonen beschermd voor de leugens, en nu dreigde de man die de leugen gecreëerd had hen alsnog te vernietigen.
De auto stopte met een ruk voor de hoofdingang van het Sint-Elisabeth ziekenhuis. Er heerste totale chaos. Ziekenhuispersoneel rende zenuwachtig rond vanwege de stroomstoring, en bewakers probeerden de menigte in de centrale hal onder controle te houden.
We negeerden de liften — die door de stroomuitval stilstonden — en stormden de trappen op naar de derde verdieping.
Toen we de gang van de intensive care bereikten, was het er beangstigend stil. De TL-buizen knipperden onregelmatig. De twee politieagenten die buiten kamer 304 geposteerd stonden, lagen bewusteloos op de linoleumvloer. Een lege spuit lag naast hen op de grond.
"Ze zijn verdoofd," zei de inspecteur, terwijl hij zijn wapen trok en zich naast de deur van kamer 304 opstelde.
Milan duwde de deur van de kamer met een harde klap open.
Binnen in de halfdonkere kamer stond Dr. Jacobs. Hij droeg geen doktersjas meer, maar een donkere reismantel. Hij hield een klein, draagbaar beademingsapparaat vast en was bezig om Julian — die door de verdoving nauwelijks bij kennis was — uit zijn bed te tillen en in een rolstoel te duwen.
Op de nachttafel lag een geopende koffer vol met contant geld, valse paspoorten en medische dossiers.
Dr. Jacobs keek op. Zijn gezicht, dat er eerder zo vriendelijk en bezorgd uitzag, was veranderd in een masker van ijskoude berekening.
"Blijf staan, Jacobs!" schreeuwde de inspecteur, zijn pistool recht op de borst van de arts gericht. "Het is voorbij! Je schip is in beslag genomen, Victoria is gearresteerd en de hele keten ligt plat!"
Dr. Jacobs lachte zwak, een koud en minachtend geluid. Hij reikte naar de rolstoel van Julian en trok een klein pistool uit zijn binnenzak, dat hij recht tegen het hoofd van de weerloze Julian drukte.
"Niemand doet een stap dichterbij," zei Jacobs met een gecontroleerde, kille stem. "Victoria en haar zoon waren domme, hebzuchtige amateurs. Ze dachten dat ze de stad bezaten. Maar ik... ik was degene die de operaties leidde. Ik was degene die dertig jaar lang de biologische stalen, de organen en de documenten via de haven de wereld over stuurde."
Hij keek naar mij. "En jij, Nora... jij had gewoon een brave bakkersmeid moeten blijven. Je had nooit moeten graven in het verleden."
"Laat hem los, Jacobs," zei ik, terwijl ik een stap naar voren zette. Ik voelde geen angst meer. Alleen een diepe, onverwoestbare moederliefde die geen grenzen kende. "Mijn zoon heeft dertig jaar van zijn leven verloren door jouw valsheid. Je raakt hem niet meer aan."
"Eén stap dichterbij, Nora, en ik schiet hem door zijn hoofd," waarschuwde Jacobs, zijn vinger strak om de trekker. "Ik neem Julian mee als mijn gijzelaar. Hij is mijn vrijkaartje naar het buitenland."
Milan, die stil aan mijn zijde stond, keek naar de vloer bij de rolstoel. Daar lag de kanten kabel van de beademingsmachine die Jacobs zojuist had losgekoppeld.
Milan keek naar mij en gaf een onmerkbaar knikje.
Ik begreep het meteen.
"Je bent geen dokter, Jacobs," zei ik hardop, om zijn aandacht volledig op mij gevestigd te houden. "Je bent een monstrueuze parasiet die teert op het leed van anderen!"
Terwijl ik de woorden sprak, maakte ik een plotselinge, zwaaiende beweging met de zware lederen tas van de verpleegkundige die ik nog steeds om mijn schouder droeg. De tas raakte de arm van Jacobs met volle kracht.
Het schot ging af — Pang! — maar de kogel sloeg wild in het plafond.
Op dat exacte moment greep Milan de losse kanten kabel en sloeg die strak om de enkels van Dr. Jacobs. Met een krachtige ruk trok Milan de benen van de arts onder hem vandaan.
Dr. Jacobs slingerde achterover en smakte met zijn hoofd hard tegen de stalen rand van het ziekenhuisbed. Hij bleef roerloos en bewusteloos op de vloer liggen. Het pistool glipte uit zijn hand en rolde weg.
De inspecteur stormde naar voren en sloeg de arts direct in de zware stalen boeien.
Ik wierp me op de rolstoel van Julian en sloeg mijn armen om hem heen. Julian haalde diep adem en keek me met heldere, bevrijde ogen aan.
"Mama..." fluisterde hij zwak.
"Ik ben hier, mijn jongen," zei ik, de tranen van geluk stromend over mijn wangen. "Ik laat je nooit meer los."
Milan kwam naast ons staan en legde zijn handen op onze schouders. Voor het eerst in drieëndertig jaar was mijn gezin heel.





