DEEL 9 — Het verborgen wapen in de zak
Mijn hand beefde toen ik voorzichtig in de ruime zak van de ziekenhuisjas tastte die ik nog steeds over mijn kleding droeg. Mijn vingers raakten een klein, koud stukje plastic. Ik trok het langzaam tevoorschijn, uit het zicht van de halcamera die Caleb in de hoek had gemonteerd om al mijn bewegingen te controleren. Het was een mini-geheugenkaartje — de micro-SD-versie van de USB-stick die de mysterieuze man in het ziekenhuis aan zuster Sarah had gegeven, en die Sarah blijkbaar ongemerkt in mijn zak had gestopt toen we bij de rolstoel stonden.
Een kleine golf van hoop schoot door mijn borstkas, al snel gevolgd door een ijskoude rilling. Wat stond er op dit kleine kaartje? Was het echt het bewijsmateriaal van Calebs financiële fraude en de sabotage van de auto? En belangrijker nog: hoe kon ik dit bewijsmateriaal gebruiken als ik in dit huis onder huisarrest stond, zonder telefoon, zonder internet en met een echtgenoot die elke beweging van me in de gaten hield? Caleb dacht dat hij me volledig had ingesloten. Hij dacht dat hij gewonnen had. Maar hij wist niet dat Sarah en die onbekende man een plan hadden achtergelaten waarvan hij de omvang niet kon vermoorden.
Ik verborg het geheugenkaartje strak in mijn handpalm, rolde met de rolstoel — die Caleb gelukkig had laten staan — naar de keuken, waar de schaduwen het langst waren en de camera net een blinde vlek had. Mijn hersenen werkten op volle toeren. Hoe kon ik contact opnemen met de buitenwereld? De vaste telefoon in de keuken was door Caleb uitgeschakeld; ik had al vaker gemerkt dat de stekker eruit was gehaald. Mijn eigen smartphone lag in Calebs studeerkamer in de bureaulade, veilig achter slot en grendel.
Toen herinnerde ik me iets dat me bijna was ontgaan. Vorig jaar had Emma een oude, afgedankte tablet gekregen om haar huiswerk op te maken en spelletjes op te spelen. Toen dat ding kapotging, had Caleb gezegd dat hij hem in de prullenbak had gegooid, maar ik wist dat Emma hem in haar speelgoedkist had verstopt omdat ze hoopte dat ik hem kon laten repareren. Als die tablet nog in haar kamer lag, en als het wifi-netwerk van het huis nog werkte — wat wel moest, aangezien Calebs eigen apparaten erop draaiden — dan zou ik via een beveiligde chatapplicatie of e-mail contact kunnen opnemen met zuster Sarah.
Maar hoe kwam ik op Emma’s kamer? Het was inmiddels diep in de nacht. De klok op de magnetron gaf 03.14 uur aan. Caleb lag boven te slapen, of deed alsof. Als ik nu naar boven rolde, zou het geluid van de metalen wieltjes van de rolstoel op de houten trap direct echoën door het hele huis en hem wakker maken. Ik moest kruipen. Met gebroken ribben, ingegipste benen en een lichaam dat door de mishandeling schreeuwde van de pijn, moest ik de trap op zien te komen.
De gedachte leek pure zelfmortaliteit. De pijn zou ondraaglijk zijn. Maar toen dacht ik aan Emma. Aan haar bezorgde ogen van net, aan haar kwetsbaarheid tegenover een vader die haar als pion gebruikte in zijn ziekelijke spel. Als ik nu opgaf, zou er nooit een morgen komen waarin we echt vrij waren.
Ik ademde diep in, liet me langzaam uit de rolstoel glijden op het koude tegelvloer van de keuken, en begon op mijn buik te tijgeren richting de voet van de trap. Elke centimeter voelde aan alsof er heet glas door mijn spieren werd geperst. Mijn ingegipste benen sleepten zwaar achter me aan als dode gewichten. Toen ik bij de eerste treden van de trap aankwam, greep ik met mijn trillende handen de houten leuning vast en begon mezelf omhoog te hijsen.
Zweten liep over mijn voorhoofd. Mijn tanden klemden zo hard op elkaar dat mijn kaak pijn deed. Eén trede. Twee treden. Drie treden. De trap leek eindeloos lang, een steile berg die ik in de duisternis moest beklimmen zonder enige zekerheid van wat me boven wachtte. Plotseling hoorde ik boven aan de trap een deur zachtjes opengaan en klinken er voetstappen op de gangvloer. Mijn hart stond stil. Caleb was wakker geworden...
* * *






