DEEL 7 — Gevangen in de parkeergarage
Het felle koplamp licht van Calebs zwarte sedan verblindde me volledig. Ik hield mijn handen voor mijn ogen om het scherpe licht te weren, terwijl mijn adem stokte in mijn keel. Hoe wist hij in godsnaam dat wij hier waren? Was het ziekenhuis dan volledig door hem geïnfiltreerd? Caleb stapte uit de auto, zijn gezicht verduisterd door de schaduw van het dak, maar zijn houding straalde een koele, meedogenloze overmacht uit. Hij deed langzaam een stap naar voren, zijn schoenen klikkend op het beton van de parkeergarage.
“Kijk eens aan,” zei hij met een ijzige, kalme stem die nog angstaanjagender klonk dan wanneer hij had geschreeuwd. “De grote ontsnapping. Had je werkelijk gedacht dat je zomaar kon weglopen, Rebecca? Dat je mij te slim af zou zijn?” Zuster Sarah stapte onmiddellijk voor de rolstoel staan, haar armen beschermend gespreid, alsof ze een fysieke muur wilde vormen tussen mij en mijn echtgenoot. “Meneer Walker, u heeft hier niets te zoeken. Dit is privéterrein van het ziekenhuis. Ik raad u ten sterkste aan om nu om te keren en weg te gaan, anders schakel ik direct de beveiliging in,” sprak ze met een strakke, onverschrokken stem.
Caleb glimlachte flauwtjes. Het was geen warme glimlach, maar een wrede grimas die liet zien hoe weinig respect hij voor haar had. “De beveiliging, zuster? Die heb ik al lang en breed betaald om hun ogen de andere kant op te houden toen ik naar binnen reed. U denkt toch niet serieus dat u kunt opwegen tegen de middelen die ik tot mijn beschikking heb?” Hij sloeg zijn ogen op naar mij, zijn blik doorborend als een ijskegel.
“En jij, Rebecca… je stelt me teleur. Al die jaren heb ik voor je gezorgd, je een dak boven je hoofd gegeven, je een leven geboden waar andere vrouwen jaloers op zijn. En zo betaal je me terug? Door met vreemde mannen samen te spannen en te proberen mijn reputatie te vernietigen?”
“Jij hebt geprobeerd me te vermoorden, Caleb!” schreeuwde ik, eindelijk losbrekend uit de angst die me zo lang had verlamd. Mijn stem galmde door de lege parkeergarage. “Die auto-ongeluk… de gesaboteerde remmen… ik weet alles! Die man heeft me alles verteld!” Calebs gezicht vertrok geen spier. Geen fractie van twijfel, geen schuldgevoel, helemaal niets. Alleen een koude, berekenende blik. “Ah,” zei hij koeltjes, “dus die ex-medewerker heeft je opgezocht. Een ongelukkige dwaas die ontslagen is wegens diefstal en nu fabels vertelt om wraak te nemen. En jij gelooft hem nog ook, puur omdat je hersenen kennelijk nog steeds beschadigd zijn door de klap van dat ongeluk.”
Hij maakte een gebaar met zijn hand, en uit het donkere achterste van de parkeergarage verschenen plotseling twee grote, onbekende mannen in zwarte jassen. Ze zagen eruit als beveiligers van een particulier bureau, niet als ziekenhuispersoneel. Ze liepen met snelle passen op ons af. Sarah probeerde zich te weren en riep om hulp, maar een van de mannen greep haar bij haar armen en trok haar met brute kracht opzij, ondanks haar verzet. “Nee! Laat haar met rust!” gilde ik, terwijl ik probeerde uit de rolstoel overeind te komen, volledig vergeten dat mijn benen in het gips zaten. De pijn schoot door mijn botten, en ik viel hulpeloos terug op de zitting.
Caleb liep op me af, boog zich voorover tot vlak bij mijn gezicht, zodat ik de geur van zijn dure aftershave kon ruiken die nu vermengd was met de kille garage-lucht. “Nu gaan we naar huis, Rebecca,” fluisterde hij dreigend. “Rustig en zonder scène. Want als je nu tegenstribbelt, bel ik de kliniek waar we Emma morgen vroeg in alle vroegte naartoe sturen. En dan zie je je dochter nooit meer terug.”
De ultieme chantage. Emma. Dat was het enige drukmiddel dat hij nodig had om mij volledig te breken. Mijn armen hingen slap langs mijn lichaam. De moed, de hoop en de adrenaline die me net nog hadden gedreven, verdampten in een fractie van een seconde. Ik was verslagen. Caleb glimlachte triomfantelijk, pakte de handgrepen van de rolstoel vast en begon me naar de openstaande deur van de sedan te duwen.
Sarah, die door de andere man werd vastgehouden, schreeuwde mijn naam: “Rebecca! Geef niet op! Doe het niet!” Maar haar stem verdween langzaam op de achtergrond toen Caleb me naar de auto duwde, het portier opende, en me ruw op de achterbank smeet, terwijl de nacht ons volledig leek te verzwelgen...
* * *






