DEEL 4 — De Vlucht naar het Onbekende
De rillingen liepen over mijn rug. Ik keekte naar het briefje op het grind, daarna naar Brandon die met een paniekkantige blik om zich heen keek. Dit was geen misverstand meer. Dit was geen onhandige grap of een moment van onachtzaamheid. Dit was een systematische poging om mij en mijn kind te breken, of erger nog... om ons hier weg te krijgen op voorwaarden die wij niet zelf kozen.
‘Wie heeft dit neergelegd, Brandon?’ vroeg ik, terwijl ik met mijn vrije hand het briefje oppakte. Het papier was vochtig door de ochtenddauwtje. ‘Wie wist waar mijn luiertas lag?’
Brandon probeerde het briefje uit mijn hand te grissen, maar ik hield het strak tegen mijn borst gedrukt, samen met onze baby. ‘Geef hier! Dat is rommel, iemand probeert ons te pesten! Een flauwe 1-aprilgrap of een of andere gek die hier op het terrein rondhangt.’
‘In oktober?’ wierp ik hem koel voor de voeten. ‘Praat geen onzin, Brandon. Dit landgoed is omheind met driemeterhoog hekwerk en bewakingscamera’s. Niemand komt hier zomaar op als ze geen toegangscode hebben.’
Hij zweeg. Zijn kaken trilden. Voor het eerst zag ik de totale vernietiging in zijn ogen; niet van berouw, maar van angst om betrapt te worden door zijn eigen web van leugens. Hij wist precies wie hier achter zat. En het ergste was: hij had meegewerkt. Of was hij slechts een pion in een veel groter spel dat zijn ouders al jaren speelden?
‘We gaan naar de auto, Claire,’ zei hij met een smekende ondertoon die niet bij zijn harde karakter paste. ‘Alsjeblieft. Voor de baby. Dit is niet veilig voor haar.’
‘Voor haar?’ Ik lachte bitter. ‘De enige plek waar ze niet veilig is, is hier, dicht bij jou en jouw familie.’
Ik draaide me om en rende terug naar het hoofdhuis, weg van de parkeerplaats, weg van Brandon die mijn naam bleef roepen. Mijn hakken zonken weg in het gras, maar ik gaf niet op. Mijn prioriteit was duidelijk: zo snel mogelijk de hoofdweg bereiken, een taxi bellen of de politie inschakelen. Maar toen ik de zware eikenhouten voordeur van het landhuis opduwde en naar binnen stapte, hoorde ik een geluid dat me ter plekke deed verlammen.
Het was het geluid van een slot dat van buiten af werd omgedraaid. Klik. Klik.
Ze hadden me opgesloten in het huis. En door het raam van de hal zag ik hoe Helena de sleutel uit het slot trok, naar Brandon liep, en hem iets toewierp wat klonk als een kille, onverbiddelijke waarschuwing: ‘Laat haar niet weggaan met het bewijs.’






