Ik liep langzaam mijn werkkamer binnen
News Story

Ik liep langzaam mijn werkkamer binnen

0 weergaven

Deel 6

"Blijf uit de buurt van de voordeur."

Willem sloot onmiddellijk de jaloezieën van zijn kantoor.

Zijn handen trilden.

Die van mij niet.

Na jaren bij de Koninklijke Landmacht had ik geleerd rustig te blijven wanneer de situatie levensgevaarlijk werd.

Ik keek uit het raam.

De twee mannen verdeelden zich.

Eén bleef bij de hoofdingang.

De ander liep langzaam om het gebouw heen.

Ze wilden alle uitgangen afdekken.

"Is hier een nooduitgang?" vroeg ik.

Willem knikte.

"In de kelder."

"Maar bijna niemand kent die."

"We gaan."

Nog voordat we de deur openden, klonk er rumoer op de gang.

Een vrouw schreeuwde.

Daarna volgde het geluid van rennende voetstappen.

Ik keek voorzichtig om de hoek.

De twee mannen waren al binnen.

Ze lieten geen legitimatie zien.

Geen uniform.

Toch maakte iedereen instinctief ruimte voor hen.

Ze straalden iets uit wat ik maar al te goed kende.

Gevaar.

Willem fluisterde: "Deze kant."

We daalden haastig de trap naar de kelder af.

De oude archiefruimte rook naar stof en vocht.

Aan het einde van de gang zat een stalen deur.

Willem haalde een sleutelbos uit zijn zak.

Zijn vingers trilden zo erg dat hij de sleutel twee keer liet vallen.

Eindelijk klikte het slot open.

Achter de deur liep een smalle steeg.

"We zijn veilig," zei hij opgelucht.

Maar op datzelfde moment hoorde ik achter ons een stem.

"Niet bewegen."

Ik draaide me langzaam om.

Een derde man.

Hij stond al in de steeg.

Een pistool gericht op mijn borst.

Hij glimlachte.

"U maakt het ons wel erg moeilijk, meneer Van Dijk."

Voordat hij kon reageren, gooide ik instinctief de metalen vuilnisbak naast mij omver.

Hij schrok een fractie van een seconde.

Meer had ik niet nodig.

Ik stormde naar voren.

Zijn schot klonk door de steeg.

De kogel sloeg in de bakstenen muur naast mijn hoofd.

Ik greep zijn pols, draaide hem hard naar buiten en het pistool viel op de grond.

Binnen enkele seconden lag hij bewusteloos op de stoep.

Willem keek me met grote ogen aan.

"Mijn God..."

"We moeten hier weg," zei ik kort.

Ik pakte het pistool op, haalde de patroonhouder eruit en gooide wapen en munitie in verschillende richtingen.

Niemand zou daar straks direct iets aan hebben.

Net toen we de straat uit wilden rennen, stopte er piepend een grijze bestelwagen naast ons.

Het portier vloog open.

Een bekende stem riep:

"Daan! Instappen! Snel!"

Ik keek op.

Achter het stuur zat...

Kolonel Erik Meijer.

Dezelfde man wiens handtekening onder mijn overlijdensverklaring stond.

De man van wie ik niet meer wist of hij mijn grootste bondgenoot...

of de architect van mijn ondergang was.