DEEL 14 — DE BROER DIE NOOIT BESTOND
We vertrokken nog dezelfde avond.
De foto bleef op mijn telefoon staan.
Ik had hem tientallen keren bekeken.
De jonge man had donkere ogen.
Een scherpe kaak.
En dezelfde kleine moedervlek boven zijn wenkbrauw als ik.
“Wie is hij?” vroeg ik opnieuw.
Daniele zat zwijgend op de achterbank.
Alessandro reed.
Na enkele minuten zei Daniele:
“Zijn naam is Matteo.”
“Matteo wat?”
“Dat weet ik niet.”
“Hoe kun je niet weten wat zijn achternaam is?”
“Omdat hij geen officiële identiteit heeft.”
Ik keek hem aan.
“Dat slaat nergens op.”
“Hij is geboren buiten het systeem.”
“Waarom?”
“Omdat Lorenzo hem verborgen wilde houden.”
“Voor wie?”
“Voor iedereen.”
Ik voelde een knoop in mijn maag.
“Was hij ouder dan ik?”
“Een jaar.”
“Dus mijn moeder kreeg twee kinderen.”
Daniele knikte.
“Maar jij werd weggebracht.”
“En hij?”
“Hij bleef bij Elena.”
Ik keek naar buiten.
De lichten van de snelweg gleden voorbij.
“Waarom?”
Daniele antwoordde:
“Omdat Lorenzo geloofde dat jij de erfgenaam was.”
“En Matteo niet?”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Daarom was hij veilig.”
Ik draaide me naar Alessandro.
“Wist jij dit?”
Hij zweeg.
“Alessandro!”
“Ja.”
Ik voelde woede opkomen.
“Jullie hebben allemaal tegen me gelogen.”
Hij keek in de achteruitkijkspiegel.
“Ja.”
Dat eenvoudige antwoord maakte me nog bozer.
“Waarom?”
“Omdat Lorenzo me verplichtte een geheim te bewaren.”
“Lorenzo is dood.”
“Maar zijn geheimen zijn niet dood.”
We kwamen laat in de avond aan bij het dorp.
Het huis uit Elena's dagboek stond aan het einde van een smalle weg.
De deur was open.
Ik liep naar binnen.
“Hallo?”
Geen antwoord.
De kamers waren leeg.
Maar er lagen recente spullen.
Een halflege kop koffie.
Een jas.
Een open boek.
“Ze was hier,” zei Alessandro.
Ik liep naar boven.
In de slaapkamer vond ik een foto.
Elena.
Met een jongen.
Matteo.
Op de achterkant stond:
Mijn zoon. Mijn enige reden om te blijven leven.
Ik huilde.
“Waarom heeft ze mij niet gehouden?”
Alessandro kwam naast me staan.
“Omdat ze dacht dat ze jou daarmee zou beschermen.”
Toen hoorden we beneden een geluid.
Een deur.
We renden naar beneden.
Een man stond in de woonkamer.
Dezelfde man van de foto.
Matteo.
Hij keek naar mij.
Ik keek naar hem.
Geen van beiden sprak.
Toen zei hij:
“Je hebt haar ogen.”
Mijn adem stokte.
“Ben jij Matteo?”
Hij knikte.
“En jij bent Chiara.”
Ik liep langzaam naar hem toe.
“Waar is onze moeder?”
Zijn gezicht veranderde.
“Ze is meegenomen.”
“Door wie?”
“Ferrante.”
Alessandro trok zijn wapen niet, maar zijn houding werd gespannen.
“Wanneer?”
“Drie dagen geleden.”
“Waarom heb je niets gedaan?”
Matteo keek hem aan.
“Omdat ik wist dat ze mij ook zouden pakken.”
“Wie zijn ‘ze’?”
Matteo keek naar mij.
“De mensen die al jaren achter jullie aan zitten.”
Ik vroeg:
“Waarom willen ze mij?”
Hij antwoordde:
“Niet om je geld.”
Ik verstijfde.
“Wat dan?”
“Je bloed.”
Ik begreep het niet.
“Mijn bloed?”
Matteo knikte.
“Lorenzo was niet zomaar rijk.”
Hij wees naar een kast.
“Hij bezat een geheim dat veel meer waard was dan zijn bedrijf.”
Alessandro liep naar de kast.
“Wat?”
Matteo antwoordde:
“Een aandeelhoudersregister.”
“En?”
“Een register met verborgen eigendommen over heel Europa.”
Ik keek hem aan.
“Waarom zou mijn bloed daarvoor belangrijk zijn?”
Matteo zei:
“Omdat alleen jij volgens Lorenzo het recht had om ze op te eisen.”
Ik voelde mijn hoofd duizelen.
“Dus mijn hele leven…”
“Was een voorbereiding.”
“Waarop?”
“Op het moment dat je volwassen werd.”
Ik dacht aan de villa.
De kluis.
De documenten.
De geheime kamer.
Alles viel langzaam op zijn plaats.
Toen haalde Matteo een klein doosje tevoorschijn.
“Moeder gaf dit aan mij.”
Ik opende het.
Binnen lag een gouden ring.
Op de ring stond een symbool.
Een adelaar.
Alessandro werd bleek.
“Dat symbool…”
“Wat?”
“Dat is het zegel van Lorenzo's geheime familievermogen.”
Ik keek naar de ring.
“Waar is dat vermogen?”
Matteo zei:
“Dat is wat Ferrante probeert te vinden.”
“En jij weet waar het is?”
Hij knikte.
“Een deel.”
“Waar?”
Hij keek naar mij.
“In Milaan.”
Mijn hart sloeg sneller.
“Bij Marco?”
Matteo antwoordde:
“Marco werkte nooit voor jou.”
Ik verstijfde.
“Voor wie dan?”
Matteo keek naar de deur.
“Voor Ferrante.”
Op dat moment ging buiten een autoalarm af.
Matteo pakte mijn arm.
“We moeten weg.”
“Waarom?”
Hij wees naar het raam.
Aan de overkant van de straat stond een zwarte wagen.
Daarin zat een man.
Hij keek rechtstreeks naar ons.
Ferrante.
Toen glimlachte hij.
En hij hield iets omhoog.
Een foto van mijn dochter.






