News Story

NA DRIE JAAR IN DE GEVANGENIS KEERDE IK TERUG NAAR HUIS IN DE HOOP MIJN VADER TE KUNNEN OMFELZEN.

0 weergaven

DEEL 9 — HET ZIEKENHUIS DAT NIET BESTOND

We reden zonder lichten naar Northbridge.

Bram zat achter het stuur.

Ik zat naast hem met Helena's notitieboek op mijn schoot.

Geen van beiden sprak.

De naam van het ziekenhuis bleef door mijn hoofd gaan.

Northbridge Private Medical Center.

Ik had er nog nooit van gehoord.

Dat was vreemd.

Silver Lake was niet groot.

Een privékliniek waar mensen als mijn vader zouden worden behandeld, zou bekend moeten zijn.

“Waar is dit ziekenhuis?”

“Buiten de stad.”

“Waarom heb ik er nooit van gehoord?”

“Omdat het officieel niet bestaat.”

Ik keek hem aan.

“Wat?”

“Northbridge staat niet geregistreerd als openbaar ziekenhuis.”

“Maar het staat op de foto.”

“Ja.”

“Dan moet het bestaan.”

“Officieel is het een onderzoekscentrum.”

“Onderzoek naar wat?”

“Dat weet ik niet.”

Na ongeveer veertig minuten verlieten we de snelweg.

De weg werd smaller.

Aan beide kanten stonden hoge bomen.

Uiteindelijk verscheen er een betonnen muur.

Daarachter stond een groot modern gebouw.

Geen naam.

Geen bord.

Alleen een beveiligingspoort.

Bram stopte.

“Hier is het.”

“Hoe komen we binnen?”

Hij keek me aan.

“Dat is het probleem.”

We stapten uit.

Aan de zijkant van het terrein stond een kleine personeelsingang.

Bram haalde een pasje uit zijn zak.

“Waar heb je dat vandaan?”

“Van Ingrid.”

Ik keek hem verbaasd aan.

“Ze vertrouwt je?”

“Nee.”

“Hoe heb je dit gekregen?”

“Ze denkt dat ik nog steeds voor haar werk.”

We gingen naar binnen.

Een lange witte gang.

Geen ramen.

Geen geluid.

Het voelde niet als een ziekenhuis.

Het voelde als een gevangenis.

We vonden een lift.

Bram drukte op -2.

De lift daalde.

De deuren gingen open.

Een man in een witte jas liep voorbij.

Hij keek naar ons.

Ik keek naar zijn badge.

Dr. Marcus Van Houten.

Ik greep Bram vast.

“Daar.”

We volgden hem.

Hij ging een kamer binnen.

De deur sloot.

Bram fluisterde:

“Wacht.”

We bleven buiten staan.

Na een paar seconden hoorde ik stemmen.

“Hij is nog steeds stabiel.”

Marcus.

Daarna een andere stem.

Ouder.

Zwak.

Mijn hart sloeg over.

Ik kende die stem.

Mijn vader.

“Laat mijn zoon met rust.”

Ik keek naar Bram.

“Hij leeft.”

Hij knikte.

We stormden de kamer binnen.

Mijn vader zat vastgebonden aan een stoel.

Hij was mager.

Zijn haar was bijna helemaal grijs.

Maar zijn ogen...

Die ogen waren dezelfde.

Hij keek me aan.

Zijn mond viel open.

“Daan?”

Ik kon niets zeggen.

Ik liep naar hem toe.

Hij keek naar mijn gezicht.

Toen begonnen zijn ogen te tranen.

“Mijn jongen.”

Ik knielde voor hem.

“Pap.”

Hij schudde zijn hoofd.

“Ik wilde niet dat je kwam.”

“Waarom?”

“Omdat ze je zouden volgen.”

“Ze hebben me gevolgd.”

Hij sloot zijn ogen.

“Het spijt me.”

“Waarom heb je me laten geloven dat je dood was?”

“Omdat het de enige manier was.”

“Wie heeft dit gedaan?”

Mijn vader keek naar Marcus.

De dokter stond in de deuropening.

Hij glimlachte.

“Willem, je hebt je zoon gevonden.”

Mijn vader schreeuwde:

“Ren!”

Marcus trok een wapen.

Bram sprong naar voren.

Ik greep mijn vader.

We renden door de gang.

Alarmlichten begonnen te knipperen.

Sirene.

Deuren sloten automatisch.

“Links!” schreeuwde mijn vader.

“Waarheen?”

“Archief!”

We bereikten een zware deur.

Mijn vader wees.

“Daar!”

Bram brak het slot.

We stormden naar binnen.

Een enorme ruimte vol dossiers.

Mijn vader zakte tegen een kast.

Hij kon nauwelijks staan.

“Pap.”

“Ik red me.”

“Nee.”

Ik hielp hem overeind.

“Waarom hebben ze je gevangen?”

“Omdat ik de waarheid kende.”

“Welke waarheid?”

Hij keek naar Bram.

“Je moeder ontdekte dat Project Silver niet alleen om geld ging.”

“Wat dan?”

“Identiteiten.”

Ik begreep het niet.

“Wat bedoel je?”

“Ze gebruikten bedrijven om mensen te laten verdwijnen.”

Bram keek naar de dossiers.

“Daarom is Northbridge geen ziekenhuis.”

Mijn vader knikte.

“Het is een opslagplaats.”

“Voor mensen?”

“Voor identiteiten.”

Ik voelde een koude rilling.

“Ze veranderden namen. Geboorteakten. Overlijdensakten.”

Ik dacht aan mijn eigen zaak.

Mijn veroordeling.

Mijn vaders dood.

“Dus mijn dossier...”

“Is gemanipuleerd.”

Mijn vader keek me aan.

“Alles.”

Toen haalde hij een kleine sleutel uit zijn zak.

“Daan.”

Hij gaf hem aan mij.

“Dit is het laatste bewijs.”

Ik keek naar de sleutel.

“Waar is de deur?”

“Niet hier.”

“Waar dan?”

“Onder ons huis.”

Ik verstijfde.

“Maar we hebben de kamer al gevonden.”

“Dat was niet de echte kamer.”

Ik keek naar Bram.

Mijn vader fluisterde:

“De kamer die jullie vonden was een afleiding.”

“Waar is de echte?”

Hij wees naar mijn sleutel.

“Onder de slaapkamer van je moeder.”

Mijn hart sloeg over.

“Die kamer bestaat niet meer.”

Mijn vader keek me aan.

“Dat dacht Ingrid ook.”

Op dat moment ging de archiefdeur open.

Victor stond daar.

Naast hem stond Ingrid.

Maar deze keer waren ze niet alleen.

Achter hen stond een man.

Ouder.

Elegant.

Met grijs haar.

Mijn vader keek hem aan.

Zijn gezicht veranderde onmiddellijk.

“Richard.”

De man glimlachte.

“Hallo, Willem.”

Ik voelde mijn maag samentrekken.

Mijn vader fluisterde:

“Daan... dit is de man die je moeder heeft laten vermoorden.”

Richard keek naar mij.

“En jij bent precies zoals zij.”

Toen glimlachte hij.

“Dat maakt het zo jammer dat ik je waarschijnlijk vandaag moet laten verdwijnen.”