DEEL 7 — BRAM WACHTTE OP MIJ
Ik bleef naar het bericht kijken.
“Ik zal daar zijn.”
Mijn eerste reactie was woede.
Bram.
Mijn stiefbroer.
De jongen die vroeger mijn vader altijd “pa” noemde, terwijl ik hem jarenlang als een indringer had gezien.
De man die mij bij mijn terugkeer had uitgelachen.
De man die samen met Ingrid in dat huis woonde alsof mijn vader nooit had bestaan.
En nu beweerde hij dat hij me wilde beschermen.
Ik geloofde hem niet.
Niet na alles wat ik had gezien.
Ik stopte de sleutel met nummer 108 in mijn zak en keek opnieuw door het gordijn.
Bram stond nog steeds naast de zwarte sedan.
Victor was verdwenen.
Dat maakte me nerveus.
Ik pakte mijn rugzak en verliet het motel via de achterdeur.
Ik liep bijna twintig minuten voordat ik een taxi aanhield.
“Station?” vroeg de chauffeur.
Ik aarzelde.
“Ja.”
Het oude station lag aan de rand van Silver Lake.
Het was al jaren buiten gebruik.
Mijn vader had me vroeger verteld dat daar ooit goederentreinen kwamen.
Nu stonden er alleen verlaten perrons en roestige loodsen.
Toen ik aankwam, was het bijna middernacht.
Ik zag Bram onmiddellijk.
Hij stond onder een kapotte lantaarnpaal.
Alleen.
Geen Victor.
Geen Ingrid.
Ik bleef op afstand.
“Waarom ben je hier?”
Bram draaide zich om.
Zijn gezicht zag er anders uit dan eerder die dag.
Geen arrogantie.
Geen glimlach.
Alleen vermoeidheid.
“Je bent gekomen.”
“Je zei dat ik niet moest komen.”
“Dat wist ik.”
“Waarom stuurde je me dan?”
Hij keek naar de rails.
“Omdat ik wilde weten of je me nog kon vertrouwen.”
Ik lachte bitter.
“Vertrouwen? Jij stond gisteren nog in een geheime kamer onder mijn ouderlijk huis.”
“Ik weet het.”
“Je wist van die kamer.”
“Ja.”
“En van Project Silver.”
“Ja.”
“En je wist dat mijn vader niet dood was toen Ingrid zei dat hij was overleden.”
Hij zweeg.
Dat was genoeg.
Ik liep naar hem toe.
“Waar is mijn vader?”
Bram keek me aan.
“Levend.”
“Waar?”
“Ik weet het niet.”
Ik wilde hem slaan.
In plaats daarvan greep ik zijn jas.
“Speel geen spelletjes met me.”
“Ik speel geen spel.”
“Dan vertel je me alles.”
Hij keek naar mijn hand.
“Laat me los, Daan.”
Ik deed het.
Hij haalde diep adem.
“Willem werd achttien maanden geleden meegenomen.”
“Door wie?”
“Victor en zijn mensen.”
“Waarom?”
“Omdat papa bewijs had.”
“En jij?”
Bram keek weg.
“Ik heb geprobeerd hem te helpen.”
“Je liegt.”
“Nee.”
“Waarom heb je dan niets gedaan?”
“Omdat ik acht jaar oud was toen mijn moeder stierf.”
Ik verstijfde.
“Wat?”
“Mijn moeder.”
Hij keek me recht aan.
“Ik heb haar altijd zo genoemd.”
“Ingrid is niet je moeder?”
Hij schudde zijn hoofd.
“Ze is mijn stiefmoeder.”
Ik begreep het niet.
“Maar...”
“Mijn biologische moeder was Helena.”
Mijn adem stokte.
“Helena?”
“Je moeder.”
De wereld leek even stil te staan.
Mijn moeder.
Helena.
Bram was...
Mijn halfbroer?
Hij zag mijn gezicht.
“Ja.”
Ik deed een stap achteruit.
“Dat kan niet.”
“Mijn vader was dezelfde man als de jouwe.”
“Willem?”
Hij knikte.
Ik keek naar de rails.
Mijn vader had dus een geheim leven gehad.
Een ander kind.
Maar waarom had niemand mij ooit iets verteld?
“Waarom heeft mijn vader mij dat nooit verteld?”
“Omdat Ingrid hem chanteerde.”
“Waarmee?”
“Met mij.”
Ik keek hem aan.
“Ze dreigde mij iets aan te doen?”
“Niet letterlijk.”
Hij zweeg even.
“Ze zei dat als papa ooit over Helena of mij zou praten, ze ervoor zou zorgen dat ik voor altijd zou verdwijnen.”
“Maar waarom zou Ingrid zoveel macht hebben?”
“Omdat ze niet alleen Bram de Vries was.”
Ik fronste.
“Wat betekent dat?”
Hij haalde een envelop uit zijn jas.
Hij gaf hem aan mij.
Binnenin zat een oude geboorteakte.
Mijn ogen schoten over de tekst.
Naam moeder: Helena de Vries.
Naam vader: Willem de Vries.
Kind: Bram.
Mijn handen begonnen te trillen.
“Waarom heeft mijn vader mij nooit verteld dat jij mijn broer bent?”
“Omdat hij dacht dat hij daarmee jouw leven zou beschermen.”
Ik keek naar Bram.
“En jij hebt mij drie jaar laten denken dat je tegen me was.”
“Ik moest.”
“Waarom?”
“Omdat Ingrid iemand had ingehuurd om je in de gevangenis te vermoorden.”
Ik verstijfde.
“Wat?”
Bram knikte.
“De eerste maanden.”
Ik herinnerde me plotseling die ene gevangene.
De man die mij ooit in de douche had aangevallen.
De man die daarna plotseling was overgeplaatst.
Ik had altijd gedacht dat het toeval was.
“Wie?”
“Zijn naam was Marcus.”
Ik voelde een koude rilling.
“Hoe weet jij dat?”
“Omdat ik hem had betaald.”
Ik keek hem woedend aan.
“Wat?”
“Om je te beschermen.”
Ik begreep er niets meer van.
“Je hebt een moordenaar betaald om mij te beschermen?”
“Om jou te waarschuwen.”
“Hij probeerde me neer te steken!”
“Dat was niet de afspraak.”
Bram sloot zijn ogen.
“Hij werkte daarna voor Ingrid.”
Een trein in de verte liet een lange metalen toon horen.
Ik keek naar hem.
“Wat wil je van mij?”
“Niets.”
“Waarom ben je hier?”
Hij wees naar mijn zak.
“Naar die sleutel.”
Mijn hand ging automatisch naar nummer 108.
“Wat is er?”
“De sleutel opent de kluis die mijn moeder gebruikte.”
“Helena?”
“Ja.”
“Waar?”
Bram keek naar de oude stationshal.
“Onder perron drie.”
Ik liep met hem mee.
Onder een kapotte bank zat een metalen plaat.
Bram knielde.
Hij tilde hem op.
Daaronder zat een kleine kluis.
Ik haalde de sleutel tevoorschijn.
Maar voordat ik hem in het slot kon steken, hoorde ik achter ons een stem.
“Dat zou ik niet doen.”
Ik draaide me om.
Victor stond aan het einde van het perron.
Zijn pistool was op ons gericht.
En naast hem stond Ingrid.
Ze glimlachte.
“Wat fijn,” zei ze.
“De twee verloren broers eindelijk samen.”
Toen keek ze naar Bram.
“Je vader zou zo teleurgesteld in je zijn.”
Bram stapte voor mij.
Ingrid lachte.
“Je denkt werkelijk dat je hem kunt beschermen?”
Daarna keek ze naar mij.
“Daan, er is iets wat je moet weten.”
Ze wees naar de kluis.
“Je vader heeft die kluis nooit geopend.”
Ik keek haar aan.
“Waarom niet?”
Haar glimlach verdween.
“Omdat hij wist wat erin zat.”
Ze pauzeerde.
“Het bewijs dat jouw moeder niet door een ongeluk is gestorven.”





