DEEL 4 — DE KAMER ONDER HET HUIS
“Wat bedoelt u?”
De beheerder antwoordde niet.
Hij keek naar de telefoon in mijn hand.
“Laat me dat bericht zien.”
Ik gaf hem het toestel.
Zijn gezicht werd bleek.
“Dit kan niet.”
“Waarom niet?”
“Omdat Willem degene was die deze telefoon heeft begraven.”
“Wat?”
Hij keek naar de zwarte doos.
“Die telefoon hoorde bij hem. Hij heeft hem op de avond voor zijn dood aan mij gegeven.”
“Maar hij heeft hem hier achtergelaten.”
“Dat klopt.”
“Dus hoe kan iemand mij nu berichten sturen?”
De beheerder zei niets.
Ik voelde een koude rilling.
Er was maar één mogelijkheid.
Iemand had toegang tot mijn vaders telefoon.
Iemand die wist waar hij was.
Iemand die wist dat ik Berging 108 had gevonden.
En misschien iemand die mij al vanaf het begin volgde.
“Breng me naar waar mijn vader werkelijk is begraven.”
“Nee.”
“Waarom?”
“Omdat je daar niet veilig bent.”
“Mijn hele leven is blijkbaar één grote leugen geweest. Ik wil nu antwoorden.”
Hij keek me lang aan.
Toen pakte hij zijn jas.
“Kom.”
We verlieten de berging via een achterdeur.
Hij bracht me naar een oud pad achter de begraafplaats.
Na ongeveer tien minuten kwamen we bij een kleine kapel.
De deur stond op een kier.
Binnen was het donker.
Op de muur hingen oude foto's van mensen die hier ooit begraven waren.
De beheerder liep naar een stenen vloer.
Hij knielde.
Duwde op een losliggende steen.
Een verborgen luik kwam tevoorschijn.
Ik keek hem aan.
“Wat is dit?”
“Een oude grafkelder.”
We daalden een smalle trap af.
Onder de kapel was een kleine ruimte.
In het midden stond een eenvoudige metalen kist.
Mijn naam stond erop.
Niet die van mijn vader.
DAAN DE VRIES.
Ik schrok.
“Waarom staat mijn naam daarop?”
De beheerder keek naar de kist.
“Dat weet ik niet.”
“Maak hem open.”
“Daan...”
“Open hem!”
Hij aarzelde.
Toen trok hij aan de hendel.
De kist was leeg.
Maar op de bodem lag een envelop.
Ik pakte hem.
Mijn vaders handschrift.
Voor mijn zoon.
Ik opende hem.
Daan, Als je hier bent, heb je inmiddels ontdekt dat mijn dood niet klopt. Maar dat is niet het grootste geheim. Het grootste geheim ligt onder ons huis. Niet in de kelder. Achter de oude wijnkast. Zoek de steen met de barst. Daaronder ligt alles wat ik nooit aan de politie kon geven. Maar pas op. Ingrid weet van de kamer.
Ik las de laatste regel twee keer.
“Ingrid weet hiervan.”
De beheerder knikte.
“Je vader was ervan overtuigd.”
“Waarom heeft ze het niet gevonden?”
“Omdat hij haar ervan overtuigde dat hij alles had vernietigd.”
“En heeft hij dat?”
“Nee.”
Ik stopte de brief weg.
“Ik ga naar huis.”
“Je hoorde wat hij schreef.”
“Hij schreef dat ik achter de wijnkast moest zoeken.”
“Hij schreef ook dat Ingrid gevaarlijk is.”
“Daarom ga ik juist.”
Een uur later stond ik opnieuw voor mijn ouderlijk huis.
Het was bijna middernacht.
Alle lichten waren uit.
Ik liep naar de achterzijde.
De oude achterdeur was nog steeds dezelfde.
Een wonder.
Ik gebruikte een stukje metaal om het slot open te krijgen.
Binnen rook alles anders.
Maar ik wist nog precies waar de wijnkast stond.
Ingrid had hem blijkbaar nooit vervangen.
Ik duwde hem opzij.
De muur erachter was glad.
Geen steen.
Geen barst.
Ik tastte erlangs.
Niets.
Toen zag ik een kleine scheur onderaan.
Ik knielde.
Een losse steen.
Ik trok hem eruit.
Daarachter zat een metalen hendel.
Ik trok eraan.
Een deel van de vloer schoof open.
Een trap verscheen.
Mijn hart bonsde.
Ik daalde af.
Onder het huis bevond zich een enorme kamer.
Muren vol dossiers.
Kasten.
Harddisks.
Dozen.
En foto's.
Ik liep naar de dichtstbijzijnde tafel.
Daar lag een map.
PROJECT SILVER.
Ik opende hem.
Banktransacties.
Namen.
Bedrijven.
Politici.
Artsen.
En telkens dezelfde naam.
Bram de Vries.
Ik bladerde sneller.
Bram had jarenlang geld ontvangen.
Maar niet uit het bedrijf van mijn vader.
Uit een buitenlandse rekening.
Ik vond ook een foto.
Bram.
Ingrid.
En een man die ik niet kende.
Op de achterkant stond:
“De drie die Willem moesten stoppen.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
Toen hoorde ik boven mij een deur dichtvallen.
Ik bevroor.
Iemand was het huis binnengekomen.
Ik doofde het licht.
Voetstappen.
Langzaam.
Ze kwamen dichterbij.
Toen hoorde ik een stem.
Ingrid.
“Daan?”
Ik hield mijn hand voor mijn mond.
Ze wist dat ik hier was.
“Je bent altijd al nieuwsgierig geweest.”
De voetstappen stopten.
“Ik weet dat je beneden bent.”
Een stilte.
Toen hoorde ik een tweede stem.
Bram.
“Laat hem maar.”
Ingrid antwoordde:
“Nee. Hij heeft de kamer gevonden.”
Ik keek naar de dossiers.
Toen hoorde ik Bram zeggen:
“Dan moeten we het plan versnellen.”
“Welk plan?”
“Hetzelfde plan als drie jaar geleden.”
Mijn bloed stolde.
Toen ging plotseling het licht in de geheime kamer aan.
Ik draaide me om.
Achter mij stond een man.
Niet Ingrid.
Niet Bram.
Hij hield een pistool vast.
Maar het ergste was niet het wapen.
Het was zijn gezicht.
Ik kende hem.
Ik had hem drie jaar geleden in de rechtszaal gezien.
Hij was de rechercheur die mijn arrestatie had geleid.
Hij glimlachte.
“Hallo, Daan.”





