PART 3
Ik bleef naar mijn telefoon staren.
De foto stond nog steeds op het scherm.
Ikzelf.
Diane.
Victor.
Samen in mijn woonkamer.
Gefotografeerd vanaf buiten.
De foto was niet oud.
Hij was hooguit een paar uur geleden gemaakt.
Dat betekende maar één ding.
Iemand hield ons in de gaten.
Victor kwam dichterbij.
“Wie stuurde dat?”
Ik draaide mijn telefoon weg.
“Nog niemand.”
“Je liegt.”
“Dat heb ik van jou geleerd.”
Hij keek me zwijgend aan.
Voor het eerst zag ik echte angst in zijn ogen.
Niet de angst om mij kwijt te raken.
Niet de angst om te scheiden.
Maar angst voor iemand anders.
“Laat me die foto zien.”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat jij mij acht jaar lang buiten je zaken hebt gehouden.”
Ik stopte mijn telefoon in mijn jaszak.
“Nu doe ik hetzelfde met jou.”
Diane keek ons aan.
“Wat staat erop?”
Ik wilde haar niet bang maken.
Maar voordat ik iets kon zeggen, kwam er een harde klap tegen de voordeur.
Diane schrok.
Victor liep onmiddellijk naar de gang.
“Blijf hier.”
Ik volgde hem toch.
Hij opende de deur.
Niemand.
Alleen een kleine zwarte envelop op de deurmat.
Victor bukte zich.
“Niet aanraken.”
Ik pakte hem met een tissue op.
Op de voorkant stond mijn naam.
Niet die van Victor.
Alleen mijn naam.
Ik opende hem.
Er zat één vel papier in.
Daarop stond:
“Je had moeten vertrekken toen je de kans kreeg.”
Daaronder stond een adres.
Een hotel aan de rand van Amsterdam.
En een tijdstip.
Vanavond.
22.00 uur.
Victor las mee over mijn schouder.
“Je gaat niet.”
Ik keek hem aan.
“Dat bepaal jij niet meer.”
“Het kan een val zijn.”
“Dat weet ik.”
“Dan ga je dus niet.”
Ik lachte bitter.
“Jij hebt jarenlang zonder mij beslissingen genomen.”
Ik stopte het papier in mijn tas.
“Nu neem ik er één voor mezelf.”
Victor schudde zijn hoofd.
“Je begrijpt niet waar je mee te maken hebt.”
“Dan leg het uit.”
Hij zweeg.
“Precies.”
Ik draaide me om.
Diane zat nog steeds op haar bed.
Ze keek naar het papier.
Toen naar mij.
“Ga niet alleen.”
Ik knikte.
“Ik neem iemand mee.”
Victor keek verrast.
“Wie?”
Ik glimlachte.
“Mijn advocaat.”
Die avond, om precies 21.55 uur, stond ik voor het hotel.
Mijn advocaat wachtte verderop in de auto.
Ik had hem alles verteld.
De berichten.
De foto.
De envelop.
Het verhaal over Elise.
Hij had me maar één advies gegeven:
“Ga niet naar binnen als je ook maar één seconde het gevoel hebt dat het niet klopt.”
Ik liep de lobby binnen.
Er waren weinig mensen.
Een receptionist achter de balie.
Een ouder echtpaar bij de lift.
Een man die koffie dronk in de hoek.
Ik keek om me heen.
“Mevrouw?”
Ik draaide me om.
De receptionist hield een envelop vast.
“Deze is voor u.”
“Van wie?”
Hij wees naar de man met de koffie.
Maar toen ik keek, was zijn stoel leeg.
Mijn hart begon sneller te kloppen.
Ik pakte de envelop.
Binnenin zat opnieuw een foto.
Deze keer van een jonge vrouw.
Donker haar.
Bleek gezicht.
Ogen die ik vreemd vertrouwd vond.
Op de achterkant stond:
“Je hebt haar al ontmoet.”
Ik fronste.
Toen zag ik onder de foto een datum.
Zes maanden geleden.
Ik dacht terug.
Zes maanden geleden had ik Diane naar een ziekenhuis gebracht voor een controle.
Daar had ik een vrouw ontmoet.
Een verpleegkundige.
Ze had Diane geholpen met haar rolstoel.
Ze had me zelfs koffie gebracht.
Ik herinnerde me haar naam.
Elise.
Mijn adem stokte.
Ze had al die tijd vlak voor ons gestaan.
Ik draaide me om.
“Waar is ze?”
De receptionist keek me verbaasd aan.
“Wie?”
“De vrouw die hier net was.”
“Er was niemand bij u.”
Ik voelde kippenvel over mijn armen lopen.
Toen ging mijn telefoon.
Victor.
Ik nam niet op.
Nog een keer.
Weer Victor.
Daarna een bericht:
“Kom onmiddellijk naar huis.”
Ik belde terug.
Hij nam direct op.
“Waar ben je?”
“Dat doet er niet toe.”
“Jawel!”
“Waarom?”
Zijn stem trilde.
“Omdat Diane weg is.”
Ik verstijfde.
“Wat?”
“Ik kwam thuis en ze was weg.”
“Hoe bedoel je weg?”
“De voordeur stond open.”
Mijn hart sloeg over.
“Heb je de politie gebeld?”
“Ja.”
“Dan blijf daar.”
“Wacht.”
Zijn stem werd zachter.
“Er lag iets op haar bed.”
“Wat?”
“Een foto.”
“Van wie?”
Een lange stilte.
Toen zei hij:
“Van mijn vader.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“En achterop stond een boodschap.”
“Welke?”
Victor fluisterde:
“Je moeder weet waar Elise is.”
Ik keek naar de foto in mijn hand.
Toen naar de lege stoel.
Plotseling begreep ik het.
Diane was niet zomaar verdwenen.
Ze was meegenomen omdat iemand dacht dat zij de waarheid kende.
Maar waarom had Elise mij naar dit hotel gestuurd?
En waarom had ze geschreven dat ik haar al had ontmoet?
Ik liep terug naar buiten.
Mijn advocaat stapte uit de auto.
“Wat is er gebeurd?”
Ik keek hem aan.
“Diane is verdwenen.”
Hij verstijfde.
“Dan moeten we direct naar de politie.”
Ik knikte.
Maar voordat ik naar de auto liep, zag ik iets aan de overkant van de straat.
Een vrouw stond onder een lantaarnpaal.
Donker haar.
Lange jas.
Ze keek recht naar mij.
Ik wist meteen wie ze was.
Elise.
Ik rende naar haar toe.
“Wacht!”
Ze draaide zich om.
Voor één seconde keek ze me recht aan.
Toen zei ze:
“Je mag Victor niet vertrouwen.”
“Waarom?”
Ze keek achter mij.
Haar gezicht veranderde.
“Ze hebben je gevonden.”
Ik draaide me om.
Aan het einde van de straat stond een zwarte auto.
De motor draaide.
De koplampen gingen aan.
Elise pakte mijn arm.
“Rennen.”
“Waarheen?”
Ze keek me aan.
“Als je wilt weten wat er twintig jaar geleden met mijn vader is gebeurd…”
Ze slikte.
“…moet je eerst weten wat Victor heeft gedaan.”
Daarna trok ze me een donkere steeg in.
En op hetzelfde moment stapte iemand uit de zwarte auto.
Iemand die ik maar al te goed kende.
Victors advocaat.






