DEEL 9 — DE VROUW DIE AL DOOD VERKLAARD WAS
Ik staarde naar het document in Marianne’s hand.
Mijn naam stond bovenaan.
ELISE VAN DER MEER.
Daaronder stond:
OVERLEDEN.
Mijn adem stokte.
“Dit is onmogelijk.”
Marianne glimlachte.
“Juridisch gezien ben je al bijna dood.”
“Bijna?”
Alexander stapte naar voren.
“Er ontbreekt nog één ding.”
“Wat?”
“Een lichaam.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Jullie willen mijn dood in scène zetten.”
Thomas keek weg.
Ik keek naar hem.
“En jij wist hiervan?”
Hij zei niets.
“Thomas!”
Hij keek eindelijk op.
“Ja.”
Die ene lettergreep vernietigde het laatste stukje vertrouwen dat ik nog had.
“Je wilde me laten verdwijnen.”
“Het was nooit de bedoeling dat je zou lijden.”
Ik lachte bitter.
“Je moeder sloeg me uit huis.”
“Dat was niet mijn plan.”
“Je moeder hield een pistool op me.”
“Ik weet het.”
“En je hebt Pieter neergeschoten.”
Thomas keek naar de grond.
“Ik moest hem stoppen.”
“Je hebt hem misschien vermoord!”
“Hij wist te veel.”
Ik voelde tranen in mijn ogen.
“En toch durf je te zeggen dat je van me hield?”
Thomas zweeg.
Marianne kwam tussen ons staan.
“Genoeg.”
Ze hield het document omhoog.
“Je hebt twee keuzes.”
“Welke?”
“Je tekent vrijwillig een verklaring waarin staat dat je afstand doet van je rechten.”
“En de tweede?”
Marianne glimlachte.
“Dan doen we het op de andere manier.”
Ik keek naar Alexander.
“En jij?”
Hij zei niets.
“Waarom help jij hen?”
Alexander keek me aan.
“Je begrijpt het nog steeds niet.”
“Wat?”
“Dit gaat niet om geld.”
“Waar gaat het dan om?”
Hij wees naar het document.
“Je vader heeft niet alleen geld nagelaten.”
Hij pakte een tweede map.
“Hij heeft bewijs nagelaten.”
“Waarvan?”
“Van een netwerk dat al tientallen jaren bestaat.”
Ik keek naar de map.
“Welke mensen?”
“Bankiers. Zakenlieden. Politici.”
“En Marianne?”
“Een van de belangrijkste tussenpersonen.”
Ik keek naar Marianne.
Ze glimlachte.
“En jij bent de enige erfgenaam die toegang heeft tot de volledige dossiers.”
Mijn hart sloeg over.
“Dus jullie willen niet alleen mijn geld.”
“Nee.”
“Jullie willen de dossiers.”
“Precies.”
“Waarom?”
Alexander antwoordde:
“Omdat jouw vader een kopie heeft gemaakt van alles.”
Ik keek naar de USB-stick in mijn zak.
“En die staat op de USB.”
Alexander knikte.
“Ja.”
Marianne keek plotseling gespannen.
“Waar is hij?”
Ik glimlachte.
“Niet hier.”
Thomas stapte naar voren.
“Waar dan?”
“Bij de politie.”
Dat was een leugen.
Maar het werkte.
Thomas keek naar Marianne.
Marianne keek naar Alexander.
Voor het eerst zag ik paniek bij hen.
Ik wist nu dat ik iets in handen had waarmee ik hen kon breken.
Maar toen haalde Alexander zijn telefoon tevoorschijn.
“Je liegt.”
Hij tikte op het scherm.
Een video verscheen.
Victor.
Geboeid.
Mijn hart stopte.
“Waar is hij?”
Alexander antwoordde:
“In leven.”
“Wat willen jullie?”
“De USB.”
“En als ik hem niet geef?”
Alexander keek naar de video.
Marianne zei:
“Dan sterft je advocaat.”
Ik voelde mijn handen trillen.
Thomas keek naar mij.
“Geef hem.”
Ik keek naar hem.
“Waarom?”
“Omdat ik niet wil dat er nog iemand sterft.”
“Je hebt al iemand neergeschoten.”
“Dat was anders.”
“Hoe?”
Hij antwoordde niet.
Ik haalde langzaam de USB-stick uit mijn zak.
Marianne glimlachte.
“Leg hem op tafel.”
Ik liep naar voren.
Nog één stap.
Nog één.
Toen liet ik de USB-stick vallen.
Marianne bukte zich.
Ze pakte hem op.
“Eindelijk.”
Ze draaide zich om.
En op dat moment ging mijn telefoon over.
Iedereen keek naar mij.
Op het scherm stond:
POLITIE — INKOMEND GESPREK.
Marianne keek naar Alexander.
Alexander keek naar Thomas.
Thomas keek naar mij.
Ik nam op.
“Hallo?”
Een rechercheur zei:
“Mevrouw Van der Meer, we hebben de bestanden ontvangen.”
Mijn hart sloeg over.
Marianne verstijfde.
“Welke bestanden?” fluisterde ze.
Ik keek haar aan.
“De echte.”
Alexander werd bleek.
De rechercheur ging verder:
“Uw advocaat heeft ons alles gestuurd voordat hij werd meegenomen.”
Marianne keek naar de USB-stick in haar hand.
“Maar…”
Ik glimlachte.
“Die is leeg.”
Thomas staarde me aan.
“Wat?”
“Een lokkopie.”
De stilte was totaal.
Toen klonk er buiten een sirene.
Daarna nog één.
En nog één.
Marianne liet de USB-stick vallen.
“Hoe?”
Ik keek haar recht aan.
“Omdat ik drie jaar geleden al wist dat jullie me zouden verraden.”
Thomas schudde zijn hoofd.
“Dat kan niet.”
“Jawel.”
Ik pakte het echte dossier uit mijn jas.
“Mijn vader heeft me niet alleen geld nagelaten.”
Ik hield het omhoog.
“Hij heeft me geleerd niemand blindelings te vertrouwen.”
De deur werd opengebroken.
“POLITIE! NIEMAND BEWEEGT!”
Agenten stormden naar binnen.
Alexander probeerde te vluchten.
Marianne werd tegen de muur gedrukt.
Thomas bleef staan.
Hij keek me aan.
Zijn ogen vulden zich met tranen.
“Was alles wat we hadden dan een leugen?”
Ik keek hem aan.
“Dat weet ik niet.”
“Hou je nog van me?”
Ik zweeg.
Toen zei ik:
“De vrouw die van je hield, stierf op de avond dat jij me sloeg.”
Hij zakte langzaam op zijn knieën.
Maar voordat de agenten hem meenamen, keek hij me nog één keer aan.
“Er is iets wat je niet weet.”
Ik fronste.
“Wat?”
Hij fluisterde:
“Je vader heeft nooit gezegd dat jij zijn enige kind was.”
Mijn hart stopte.
“Wat bedoel je?”
Thomas glimlachte verdrietig.
“Je hebt een broer.”
Ik verstijfde.
“Dat is onmogelijk.”
“Vraag het aan Alexander.”
Ik draaide me om.
Maar Alexander was verdwenen.
Een agent rende naar buiten.
“Hij is weg!”
Ik keek naar de donkere straat.
En toen begreep ik het.
De hele waarheid was nog steeds niet boven water.
Want als ik inderdaad een broer had…
dan was hij misschien de persoon die al die jaren achter alles zat.
Mijn telefoon trilde opnieuw.
Een onbekend nummer.
Ik opende het bericht.
Er stond:
“Hallo, zusje.”
Daaronder een foto.
Een man stond naast Alexander.
Naast Marianne.
En naast Thomas.
Ik kende zijn gezicht.
Ik had hem eerder gezien.
Op de foto van mijn vader uit 1998.
Maar onder de foto stond een naam:
DANIEL VAN DER MEER.
Mijn vader.
De man die volgens iedereen al achtentwintig jaar dood was.






