MIJN SCHOONMOEDER ZETTE ME UIT HAAR
News Story

MIJN SCHOONMOEDER ZETTE ME UIT HAAR

0 weergaven

DEEL 4 — DE MAN DIE AL VIER JAAR DOOD WAS

00.27 uur.

Ik keek naar het bericht op mijn telefoon.

“Kom alleen.”

Daaronder stond het adres van een oude loods aan het IJ.

Ik keek naar Victor.

“Je gaat niet alleen.”

“Dat stond er wel.”

“Dat kan me niets schelen.”

“Victor…”

“Als iemand weet dat jij die rode envelop hebt, weten ze waarschijnlijk ook dat ik erbij betrokken ben.”

Hij pakte zijn jas.

“Maar we doen het anders.”

“Hoe?”

“Jij gaat naar de haven.”

“En jij?”

“Ik blijf op afstand.”

Ik keek hem aan.

“Geen politie?”

“Nog niet.”

“Waarom?”

“Omdat we nog niet weten tegen wie we het opnemen.”

Hij had gelijk.

Als Alexander werkelijk nog leefde, konden we niet zomaar naar de politie stappen.

Niet voordat we wisten waarom zijn dood was geënsceneerd.

* * *

00.56 UUR

De oude haven lag er verlaten bij.

Mist hing boven het water.

Mijn auto stopte ongeveer honderd meter van de loods.

Victor bleef in een andere auto achter me.

Ik stapte uit.

De rode envelop zat in mijn tas.

Mijn hart bonsde.

Ik liep naar de loods.

De deur stond open.

Ik duwde hem voorzichtig verder.

“Hallo?”

Geen antwoord.

Ik zette nog een stap.

Toen ging het licht aan.

Een enkele lamp boven mijn hoofd.

En daar…

stond een man.

Hij stond met zijn rug naar mij toe.

Grijs haar.

Donkere jas.

Beide handen op een wandelstok.

Ik kende die houding.

Ik kende die schouders.

Ik kende zelfs de kleine littekenlijn achter zijn rechteroor.

Mijn adem stokte.

“Alexander?”

De man draaide zich langzaam om.

Ik deed een stap achteruit.

Mijn knieën werden slap.

Hij keek me recht aan.

En zei:

“Je bent eindelijk gekomen, Elise.”

Mijn mond viel open.

“U…”

Hij glimlachte vermoeid.

“Ja.”

“U bent dood.”

“Ik weet het.”

“Thomas denkt dat u dood bent.”

“Ik weet het.”

“Marianne…”

Bij die naam veranderde zijn gezicht.

“Marianne mag niet weten dat ik leef.”

Ik voelde een koude rilling.

“Waarom?”

Hij keek naar de rode envelop.

“Omdat zij de reden is dat ik moest verdwijnen.”

Ik geloofde hem niet.

Nog niet.

“Waarom heeft u mij drie jaar geleden geld gestuurd?”

“Niet om jou te helpen.”

“Waarom dan?”

“Omdat jij de enige persoon was die ik vertrouwde.”

Ik fronste.

“U kende mij nauwelijks.”

Hij glimlachte.

“Dat dacht je.”

Hij liep langzaam naar een oude tafel.

Daar lag een map.

Hij schoof hem naar mij toe.

“Open hem.”

Ik deed het.

Bovenaan stond:

PROJECT ELISE — 2018–2026

Mijn handen begonnen te trillen.

“Wat is dit?”

“Het dossier dat jouw leven heeft veranderd.”

Ik bladerde.

Foto's.

Banktransacties.

Bedrijfsdocumenten.

En tientallen foto's van mij.

Vanaf het moment dat ik Thomas had ontmoet.

Ik keek naar Alexander.

“U liet mij volgen?”

“Nee.”

“Wie dan?”

Hij antwoordde niet.

Ik sloeg een pagina om.

Daar stond een foto van Thomas.

Naast hem stond Marianne.

En achter hen…

een derde persoon.

Een man die ik niet kende.

Onder de foto stond:

DOELWIT: ELISE.

Ik keek op.

“Wie is die man?”

Alexander zei zacht:

“De persoon die jouw huwelijk heeft georganiseerd.”

Ik lachte ongelovig.

“Mijn huwelijk?”

“Thomas ontmoette jou niet toevallig.”

De woorden kwamen hard binnen.

“Wat bedoelt u?”

“Jij was nooit bedoeld om alleen zijn vrouw te worden.”

Ik voelde mijn maag samentrekken.

“Waarom dan?”

Alexander keek me recht aan.

“Omdat Marianne jouw familie al kende.”

Ik verstijfde.

“Mijn familie?”

“Ja.”

“Dat is onmogelijk.”

“Dat dacht ik ook.”

Hij haalde een oude foto uit de map.

Een jonge vrouw stond erop.

Naast haar stond een man.

Ik herkende de vrouw onmiddellijk.

Mijn moeder.

Mijn hart stopte bijna.

“Waar hebt u deze foto vandaan?”

“Van Marianne.”

“Wanneer?”

“Een paar maanden voordat jij Thomas ontmoette.”

Ik keek naar de foto.

Mijn moeder was jong.

Veel jonger.

En naast haar stond een man die ik nog nooit had gezien.

Op de achterkant stond een datum.

3 mei 1998.

En een naam.

Daniel van Dijk.

Ik keek naar Alexander.

“Wie is Daniel?”

Hij antwoordde niet.

“Wie is Daniel?”

Zijn gezicht werd bleek.

“Mijn broer.”

Ik deed een stap achteruit.

“Uw broer?”

“Ja.”

“Maar Thomas is enig kind.”

“Dat is wat Marianne iedereen heeft verteld.”

De stilte in de loods werd ondraaglijk.

“Waar is hij?”

Alexander keek naar de grond.

“Dood.”

“Wanneer?”

“1998.”

“Hoe?”

Alexander kneep zijn handen om zijn wandelstok.

“Een auto-ongeluk.”

Ik keek opnieuw naar de foto.

“En mijn moeder?”

“Ze zat naast hem.”

Mijn hart begon sneller te kloppen.

“Mijn moeder zat in die auto?”

“Ja.”

“Waarom heeft niemand mij dit verteld?”

“Omdat jij niet mocht weten wie je vader was.”

Ik verstijfde.

“Mijn vader?”

Alexander keek me aan.

“Daniel was je vader.”

Ik voelde alsof de vloer onder mijn voeten verdween.

“Nee.”

“Het spijt me.”

“Mijn vader heette Pieter.”

Alexander schudde zijn hoofd.

“Dat was de man die jou heeft opgevoed.”

Ik kon nauwelijks ademhalen.

“Waarom heeft mijn moeder hierover gezwegen?”

“Omdat ze bang was.”

“Voor wie?”

Alexander keek richting de ingang.

“Voor Marianne.”

Op dat moment hoorde ik buiten een auto remmen.

Alexander verstijfde.

Victor!

Nee.

De motor die ik hoorde was niet van Victor.

Er kwamen meerdere auto's.

Alexander fluisterde:

“Ze hebben ons gevonden.”

“Wie?”

Hij keek me aan.

“Marianne.”

Ik greep mijn tas.

“Hoe?”

Alexander keek naar mijn telefoon.

“Je hebt het bericht ontvangen, toch?”

“Ja.”

“Dan hebben ze je telefoon gevolgd.”

Ik keek naar het scherm.

Geen bereik.

Toen gingen de lichten in de loods plotseling uit.

Buiten sloegen autodeuren dicht.

Eén.

Twee.

Drie.

Vier.

Voetstappen kwamen dichterbij.

Alexander pakte mijn arm.

“Luister goed.”

“Wat?”

“Als ze binnenkomen, geef ze de rode envelop.”

“Waarom?”

“Omdat zij denken dat daarin de waarheid staat.”

“Maar dat is niet zo?”

Hij glimlachte.

“De echte waarheid zit ergens anders.”

“Waar?”

Hij wees naar mijn tas.

“Op de USB-stick die je drie jaar geleden uit de kluis hebt meegenomen.”

Ik verstijfde.

“De USB-stick?”

“Ja.”

“Wat staat erop?”

Alexander keek me recht aan.

“De video van de nacht waarop Daniel stierf.”

Een harde klap.

De loodsdeur werd ingetrapt.

Alexander fluisterde:

“En Elise…”

“Ja?”

“Je moeder heeft hem niet vermoord.”

De deur vloog open.

Felle zaklampen schenen naar binnen.

Een stem schreeuwde:

“ELISE! LEG DE TAS OP DE GROND!”

Ik keek naar Alexander.

Hij fluisterde:

“Maar degene die hem wél heeft vermoord…”

Hij keek naar de persoon die als eerste de loods binnenstapte.

Mijn adem stokte.

Het was Thomas.

En naast hem stond…

Marianne.