De verblindende lichten van de hulpdiensten transformeden de kade van Vlissingen in een surrealistisch toneel van blauwe en witte flitsen. Ik lag ingewikkeld in een zware, zilverkleurige warmtedeken achter in de ambulance. Het opgewarmde deken kon de ijskoude rillingen die vanuit het diepste van mijn botten kwamen echter nauwelijks verdrijven.
Naast me zat Stijn. Zijn kleding was eveneens kletsnat, maar hij weigerde zich te laten onderzoeken door het ambulancepersoneel. Zijn blik was strak gericht op het transparante, doorweekte document dat hij voorzichtig tussen twee droge handdoeken geklemd hield.
"Mevrouw Van den Berg," zei een rechercheur met een kortgeknipte grijze baard en een ernstige blik, die bij de geopende deuren van de ambulance stond. Hij stelde zich voor als rechercheur De Jager. "We hebben het magazijn doorzocht. De man die onder het schroot lag is zwaargewond overgebracht naar het ziekenhuis. Maar van Henrik van den Berg ontbreekt elk spoor. Hij is via de oude spoortunnel aan de achterzijde van het terrein ontkomen."
"En Willem?" vroeg ik met een schorre, amper hoorbare stem. "De oude man op de stoel?"
Rechercheur De Jager keek me met een blik van medelijden aan en schudde langzaam zijn hoofd. "Het spijt me. Toen onze eenheden binnenkwamen, was hij al overleden. Zuurstofgebrek en hartstilstand. Maar hij heeft voor zijn dood de noodknop van het beveiligingssysteem van het haventerrein ingedrukt. Dat is de reden dat de alarmcentrales zijn gewaarschuwd."
Tranen brandden achter mijn ogen. Willem, de man die ik dertig jaar lang als een verrader en een dode had beschouwd, had zijn laatste adem gebruikt om mijn zoon en mij te redden.
"Mevrouw, u moet mee naar het ziekenhuis voor controle op onderkoeling," zei de ambulancemedewerker terwijl hij de deuren wilde sluiten.
"Wacht," zei Stijn beslist. hij stapte uit de wagen en keerde zich naar rechercheur De Jager. "Oom Henrik heeft geprobeerd ons te vermoorden om dit papier te vernietigen. Mijn moeder en ik zijn niet veilig in een lokaal ziekenhuis. Henrik heeft nog steeds kennissen in deze regio."
De rechercheur fronsde zijn wenkbrauwen. "Mijnheer Van den Berg, u bent nu onder politiebescherming. We gaan..."
"Kijk hier naar!" onderbrak Stijn hem fel. Hij hield het natte document zo vast dat het blauwe zwaailicht er doorheen scheen.
Door de doornatte papierlaag heen waren de handgeschreven letters van Thomas duidelijk te lezen. Mijn man had, vlak voor zijn dood, een wanhopige boodschap achtergelaten op de binnenkant van het dubbelgevouwen document voordat Henrik het liet plastificeren en opslaan.
De rechercheur boog zich voorover en las hardop de vervagende, handgeschreven regels die door het papier schemerden:
'Als iemand dit leest, is Henrik begonnen met zijn plan. Willem is niet de vader van Stijn. Henrik heeft me gedwongen om de vervalste akte te accepteren door te dreigen Rita en de baby iets aan te doen. Het geld van het bedrijf is niet weggegooid door mij, maar doorgesluisd naar een geheime kluis in de oude vuurtoren van Westkapelle. Daar ligt de echte geboorteakte en de bewijzen van Henriks fraude. Rita, vergeef me... Thomas.'
Het werd dooddoodstil op de kade. De wind floot door de stalen constructies van de fabriekshallen.
Ik bedekte mijn gezicht met mijn handen en snikte onbedwingbaar. Thomas... mijn lieve, goede Thomas had me nooit bedrogen. Hij had zich al die jaren laten vernederen en chanteren door zijn eigen broer, puur om Stijn en mij te beschermen tegen de meedogenloosheid van Henrik.
"Mijn god," fluisterde Stijn. Zijn stem trilde van emotie. "Papa... hij hield echt van ons."
Rechercheur De Jager keek op van het papier. Zijn gezicht was strak geworden. Hij pakte zijn portofoon van zijn schouder. "Centrale met post 1. Ik wil met spoed een arrestatieteam en een surveillance-eenheid naar de oude vuurtoren van Westkapelle. Mogelijke verblijfplaats van de voortvluchtige Henrik van den Berg."
"Hij is daar al naar onderweg," zei Stijn met absolute zekerheid. "Henrik weet dat Willem dood is en dat wij de waarheid kennen. Hij weet dat de vuurtoren de enige plek is waar de bewijzen liggen die hem voor de rest van zijn leven achter de tralies kunnen zetten."
"U gaat nergens heen, mijnheer," zei De Jager streng. "U en uw moeder gaan onder begeleiding naar het politiebureau in Middelburg voor veiligheid en verhoor."
"Nee!" riep ik, terwijl ik me strak in de warmtedeken wikkelde en overeind zat op de brancard. "Ik laat Henrik het laatste bewijs van mijn man niet vernietigen! Thomas heeft dit voor ons achtergelaten. Ik ga mee!"
"Het is te gevaarlijk, mevrouw..."
"Het is míjn leven, rechercheur!" snauwde ik met een felheid die ik in jaren niet gevoeld had. De verlammende angst die me de hele avond in haar greep had gehouden, was omgeslagen in een vurige, niet te stuiten drang naar gerechtigheid.
De rechercheur keek naar mijn vastberaden blik, keek daarna naar Stijn en zuchtte diep. Hij zag dat we niet te stoppen waren. "Goed. Maar u blijft in de politieauto zitten tot het terrein volledig veilig is verklaard. Is dat begrepen?"
Tien minuten later reden we in een onopvallende politiewagen met hoge snelheid over de donkere, natte snelwegen van Walcheren richting de Zeeuwse kust. De regen sloeg in kletterende vlagen tegen de voorruit.
Stijn hield mijn hand vast. "Mam... als die echte geboorteakte in de vuurtoren ligt... wie is mijn vader dan wel?"
Ik keek mijn zoon aan. In zijn gelaatstrekken zag ik de exacte vorm van de kaaklijn van Thomas, de vriendelijke blik van zijn ogen. "Thomas is je vader, Stijn. Niet door bloed alleen, maar door de liefde die hij voor jou had. Hij heeft zijn leven gegeven om jouw vader te mogen zijn."
Voor ons doemde in de verte het donkere silhouet van de hoge vuurtoren van Westkapelle op. De machtige lichtstraal op de top van de toren draaide langzaam rond, en wierp elke paar seconden een verblindende witte lichtflits over de woeste, zwarte zee en de lege duinen.
Toen de politieauto het terrein van de vuurtoren naderde en de koplampen doofde, zag ik een bekende zwarte auto die schuin geparkeerd stond in het helmgras bij de ingang.
De auto van Henrik.
En boven op het buitenbalkon van de vuurtoren, tachtig meter boven de rotsen en de kolkende zee, verscheen een donkere gestalte in het ronddraaiende licht van de baken...






