De duisternis in de achterste hoek van het magazijn was bijna tastbaar. Het enige wat ik kon horen was het haastige, raspende ademhalen van Stijn naast me en het ritmische geklots van het kille havenwater tegen de buitenmuur van het pand. De dikke, roestige ketting om de hendels van de stalen achterdeur hield ons onverbiddelijk gevangen.
"Er moet een andere weg zijn," fluisterde Stijn haastig. Zijn handen tastten in het donker over de ruwe, ijzeren wanden van de loods.
"Rita... Stijn..." klonk de vervormde, naklinkende stem van Henrik vanuit het midden van de hal. Het geluid van zijn zware laarzen op het beton kwam steeds dichterbij. "Laten we dit niet langer rekken dan nodig is. Je weet dat ik dit magazijn op mijn duimpje ken. Ik heb hier dertig jaar van mijn leven gesleten."
Het licht van de zaklamp die Henrik drong door de openingen tussen de houten kratten door. De smalle lichtbanen bewogen als snijdende zoeklichten over de vervallen ruimte.
"Waarom Henrik?" riep ik, in een poging hem op te houden en Stijn de tijd te geven een uitweg te vinden. "Je hebt al alles van Thomas afgepakt! Je hebt zijn bedrijf overgenomen, je hebt zijn geld gestolen! Waarom moet je ons nu ook nog vermoorden?!"
Het stapgeluid van Henrik stokte even. "Afgepakt?!" schreeuwde hij terug, en zijn stem sloeg over van opgekropte wrok. "Ik heb dit bedrijf opgebouwd! Thomas was een zwakkeling die alleen maar bezig was met zijn mooie imago! Hij gokte met ons kapitaal op de beurs! Als ik niet had ingegrepen, waren we allemaal de afgrond in gegaan! Willem begreep dat tenminste. Hij hield zijn mond toen ik hem betaalde om te verdwijnen."
"Willem was een slachtoffer van je chantage!" riep ik terug.
"Willem was een lafbek!" grauwde Henrik. Het geluid van zijn stappen kwam nu snel onze kant op. "En Thomas dacht dat hij de held kon uithangen. Die nacht... toen hij hier op de vloer lag te snakken naar lucht, smeekte hij me om zijn medicijnen. Wist je dat, Rita? Hij smeekte me om zijn leven! Maar ik keek hem aan en zei dat de familie beter af was zonder hem. En nu ben jij aan de beurt."
Stijn duwde me plotseling opzij. Hij had in het duister een zware, houten takelbalk ontdekt die aan een verroest katrolsysteem boven onze hoofden hing. Er hing nog een dik, overgebleven hennep touw aan dat naar een houten lier aan de muur liep.
"Mam, houd je vast aan die stalen stelling," fluisterde Stijn supersnel.
Voordat ik kon vragen wat hij van plan was, stapte de handlanger van Henrik om de hoek van een stapel olievaten. Hij hield zijn pistool gereed en zag ons staan. "Hier zijn ze!" schreeuwde de man.
Stijn bedacht zich geen seconde. Hij greep een zware stalen buis die tegen de muur leunde en sloeg met volle kracht tegen de vergrendeling van de houten lier.
Het verroeste tandwiel brak met een luide knal af.
Boven onze hoofden klonk het angstaanjagende gieren van draaiend staal en vallende touwen. Een zware pallet met verroeste scheepsonderdelen, die al decennia lang hoog in de spanten van het dak hing, kwam met een verwoestende snelheid naar beneden gestort.
De lading kwam met een gigantische klap neer op de plek waar de handlanger stond. De betonnen vloer trilde onder onze voeten. Stof, roest en splinters vlogen door de lucht. Een oorverdovende schreeuw van de man werd abrupt afgesneden onder het gewicht van het vallende schroot.
"Nu!" schreeuwde Stijn.
Door de enorme klap was een deel van de vervallen buitenmuur, waar het hout verrot was door het zoute zeewater, deels ingestort. Er was een smalle, rafelige opening ontstaan die rechtstreeks uitkwam op de buitenkade boven de dokken.
We kropen gehaast door het stof en het kapotte hout naar buiten. De koude zeewind sloeg weer in ons gezicht. We stonden op een smalle, houten steiger die over het donkere, kolkende water van de haven hing.
Achter ons klinken de woedende vloeken van Henrik. Hij kwam door het stof van de ingestorte stelling gelopen. Zijn gezicht was bedekt met roet en bloed uit de wond die Stijn hem eerder had toegebracht.
"Jullie komen niet weg!" schreeuwde hij. Hij hief zijn pistool en vuurde twee schoten af.
De kogels sloegen met een hard spattend geluid in het hout van de steiger, vlak naast Stijns voeten.
"Springen, mam!" schreeuwde Stijn.
"Ik kan niet zwemmen in dit koude water!" riep ik in paniek.
"We hebben geen keus!"
Stijn greep me vast rond mijn middel en samen sprongen we van de steiger af, het zwarte, ijskoude water van de Zeeuwse haven in.
De klap op het wateroppervlak was als een val op een betonnen plaat. De snijdende kou van het zeewater sloeg direct mijn adem weg. Mijn kleding werd zwaar en trok me naar beneden in de zwarte diepte. Het zoute water drong mijn neus en mond binnen. Ik raakte gedesoriënteerd in de duisternis onder water.
Toen voelde ik een krachtige hand onder mijn oksel. Stijn trok me met al zijn macht naar de oppervlakte. We kwamen proestend en naar lucht snappend boven water.
Boven ons, op de steiger, stond Henrik. Het licht van zijn zaklamp zocht over het wateroppervlak. Hij richtte zijn pistool weer op ons.
"Daar zijn ze!" schreeuwde hij.
Maar voordat hij kon vuren, klonk er plotseling een luid, doordringend geluid dat over het water schalde. Het schelle geluid van een politiesirene, vergezeld van het felle, blauwe zwaailicht dat de gevels van de oude magazijnen verlichtte.
Willem... de oude, stervende Willem in het magazijn moest het alarm hebben geactiveerd of op een knop hebben gedrukt die in verbinding stond met de havendienst.
Henrik keek geschrokken op naar de verlichte kade. Hij wist dat hij geen tijd meer had. Met een woedende vervloeking keerde hij zich om en verdween in de duisternis van de loods.
"Mam, houd vol!" riep Stijn, terwijl hij me naar de verroeste stalen trap van een aangemeerde kade-ponton trok.
Met de laatste beetjesi kracht kropen we het natte hout van de ponton op. Ik lag op mijn rug te rillen van de onderkoeling en de shock. Mijn longen brandden van het zoute water. Stijn zakte naast me neer, zijn gezicht bleek en vertrokken van de fysieke uitputting.
Uit de richting van de weg kwamen twee politieauto's met hoge snelheid het terrein op gereden. De felle blauwe lichten sneden door de mist.
Ik reikte met mijn trillende hand naar de binnenzak van Stijns doorweekte jas. "Stijn... het papier..."
Stijn greep in zijn zak en haalde het gevouwen document tevoorschijn. Het papier was doorweekt met zeewater. De blauwe inkt van de stempels was begonnen uit te lopen, en de felrode letters aan de achterkant veranderden in een rode vlek die als bloed over het natte papier droop.
"Het vervaagt..." fluisterde Stijn verslagen. "Het enige bewijs dat we hadden dat ik niet zijn zoon ben... het lost op."
Maar toen ik strak naar het natte papier keek dat door het felle blauwe licht van de naderende sirenes werd verlicht, zag ik iets anders. Door het vocht was het dikke papier doorschijnend geworden. En tussen de twee verlijmde lagen van het oude document werd een verborgen, tweede tekst zichtbaar die dertig jaar lang verborgen was gebleven.
Een handgeschreven briefje van mijn overleden man Thomas...






