Het knarsen van kiezels onder de zware banden van de onbekende auto drong door de muren van de woonkamer heen. Het geluid leek wel te snijden door de verstikkende stilte die het schot door de telefoon had achtergelaten. Stijn en ik stonden roerloos, alsof een enkele beweging ons aanwezigheid aan de buitenwereld zou verraden. Mijn hart sloeg op hol in mijn borstkas, zo hard dat het pijn deed aan mijn ribben.
"Mam, we moeten weg," fluisterde Stijn. Zijn stem was niet langer voller woede, maar doordrenkt met een kille, rauwe angst. De verwarring over zijn afkomst was in één klap naar de achtergrond gedwongen door het acute gevaar dat ons omringde.
"Mijn achterdeur," stotterde ik, terwijl mijn ogen gejaagd door de kamer gingen. "Via de bijkeuken naar het bosje achter de dijk."
Door het raam van de voordeur zag ik de schaduw van een grote man die uit de wagen stapte. De koplampen van het voertuig stonden nog aan en sneden twee felle banen licht door de invallende schemering van Zeeland. De gestalte liep met vastberaden, zware stappen naar mijn stoep. In zijn rechterhand hield hij iets vast dat in het invallende duister glom. Een metalen voorwerp. Een pistool.
Stijn greep het vergeelde schaduwgeboortebewijs van de eettafel, vouwde het gehaast dubbel en propte het diep in de binnenzak van zijn spijkerjas. Hij pakte mijn arm met een ijzeren greep en trok me mee naar de gang richting de bijkeuken. We bewogen ons zo geluidloos mogelijk, maar de houten vloerbedekking van mijn oude dijkhuis kraakte protesteerde onder ons gewicht.
Net toen we de deur van de bijkeuken bereikten, klonk er een harde slag op de eikenhouten voordeur.
"Rita! Doe open!" schreeuwde een rauwe, schorre stem van buiten.
Het was Henrik. De broer van Thomas. Maar zijn stem klinkt anders dan dertig jaar geleden. Het klinkt verbitterd, vol kille woede en zonder een spoor van de broederlijke warmte die hij vroeger soms veinsde.
"Ik weet dat Stijn bij je is!" schreeuwde Henrik opnieuw, gevolgd door een harde schop tegen de deur. De houten sponning kraakte gevaarlijk. "Geef me dat papier, Rita! Maak de situatie niet erger dan hij al is! Je hebt dertig jaar lang in een leugen geleefd, laat het zo blijven!"
Stijn duwde de achterdeur open. De koude Zeeuwse avondwind sloeg in ons gezicht, vergezeld van een fijne motregen. We stapten naar buiten, de natte grasmat op. Mijn oude knieën protesteerden hevig, maar de adrenaline stroomde zo snel door mijn lijf dat de fysieke pijn nauwelijks doordrong.
Achter ons klonk een luid splinterend geluid. Henrik had het glas naast de voordeur ingeslagen om de klink aan de binnenkant om te omvatten. Over een paar seconden zou hij in de woonkamer staan.
"Sneller, mam!" zei Stijn zacht, terwijl hij me over het smalle paadje trok dat achter mijn tuin langs de dijk omhoog liep.
De duisternis viel snel over het landschap. Het open Zeeuwse landschap, dat me zo vaak rust had geboden, voelde nu als een valstrik. Er waren nauwelijks schuilplaatsen, behalve de dichte begroeiing van de omliggende meidoornstruiken en het oude houten schuurtje van de buren een paar honderd meter verderop.
Toen we de top van de dijk bereikten, keek ik vluchtig achterom. In mijn verlichte woonkamer zag ik de donkere gestalte van Henrik bewegen. Hij liep wild om zich heen te kijken en bleef even stilstaan bij de eettafel. Toen keerde hij zich abrupt om naar de openstaande deur van de bijkeuken. Hij wist dat we ontkomen waren.
"Hij komt eraan," stamelde ik, buiten adem. Mijn ademhaling klonk als een raspend piepen in mijn keel.
"We halen mijn auto niet meer, hij staat op de oprijlaan gecentreerd," zei Stijn gehaast, terwijl hij ons door het drassige gras van de dijk helling naar beneden leidde. "We moeten dekking zoeken tot hij opneemt dat we weg zijn."
We glipten tussen de doornige struiken door richting een oude, verlaten griendwerkerhut die half verscholen lag onder de bomen aan de rand van het polderland. De houten plankjes waren deels verrot, maar het bood beschutting tegen de snijdende wind en het zicht vanaf de dijk.
We doken het donkere onderkomen binnen. Het rook er naar vochtige aarde, schimmel en verrot hout. Stijn duwde de gammele deur voorzichtig dicht, maar liet een klein spleetje open om de dijk in de gaten te houden.
Ik zakte tegen de ruwe houten wand naar beneden. Mijn benen trilden zo hevig dat ik niet meer kon staan. De woorden van Willem aan de telefoon bleven door mijn hoofd spoken: Thomas is die nacht niet gestorven door zijn hart... Hij ontdekte de waarheid over Stijn.
"Stijn," fluisterde ik, terstond in tranen uitbarstend. "Jouw vader... Thomas... Ik hield zielsveel van hem. Ik zweer je dat ik nooit een verhouding heb gehad met Willem. Ik heb geen idee waarom zijn naam op dat document staat!"
Stijn zakte op zijn knieën naast me en pakte mijn handen vast. Zijn vingers waren ijskoud. "Mam, ik geloof je. Maar er is iets heel zieks gebeurd in 1987. Henrik heeft mijn hele leven over mijn schouder meegekeken. Toen ik vorige week in zijn oude kluis zocht naar de papieren van de erfenis van opa, vond ik deze akte achter een dubbele wand."
"Waarom hield hij het al die tijd verborgen?" vroeg ik mezelf hardop af.
"Omdat het hem macht gaf," antwoordde Stijn bitter. "Of omdat het bewijs is van een misdaad."
Plotseling verstijfde Stijn. Hij legde een vinger op zijn lippen en wees naar buiten.
Boven op de dijk verscheen een lichtstraal. Henrik liep op de dijk met een krachtige zaklamp. Het gele licht sneed door de duisternis en zwaaide heen en weer over de velden en de struiken. Hij bewoog langzaam, met berekende stappen. De wind droeg zijn zware ademhaling tot bij ons.
"Rita!" klinkt zijn stem, nu dichterbij. Hij klonk niet meer boos, maar juist ijzingwekkend kalm en beheerst. "Je begrijpt het niet. Je weet niet wat Thomas gedaan heeft. Als je die akte aan de politie geeft, ruïneer je niet alleen mijn leven, maar haal je ook de nagedachtenis van je eigen man door het slijk. Denk aan Stijn! Wil je echt dat hij weet wat voor een monster zijn echte vader was?"
Ik hield mijn adem in. Mijn vingers klauwden zich vast in het vochtige hout van de hut. Wat bedoelde hij met monster? Thomas was een goedgeefse, zachtmoedige man.
Het licht van de zaklamp gleed langzaam over het dak van de griendwerkerhut. Het drong door de spleten in de wanden naar binnen en verlichtte Stijn's bleke gezicht voor een fractie van een seconde. We bewogen geen millimeter.
Henrik bleef even staan, vlak boven ons op de dijk. Het geluid van zijn zware laarzen in de modder was overduidelijk te horen.
Toen klonk plotseling het geluid van een motorkettingzaag die ergens in de verte werd gestart, of een zware scheepsmotor uit de richting van de haven van Vlissingen. Henrik draaide zich op het gehoor om. Hij liet de zaklamp zakken en begon snel terug te lopen naar zijn wagen.
"Hij denkt waarschijnlijk dat we naar de hoofdweg zijn gegaan," ademde Stijn uit.
"Stijn," fluisterde ik, terwijl ik de ijzeren smaak van angst in mijn mond voelde. "Willem zei aan de telefoon dat we niet naar de haven van Vlissingen moesten gaan... maar dat is precies waar Henrik vandaan komt, of niet? Willem sprak over het oude magazijn."
Stijn keek me strak aan. "Willem leeft nog... of leefde nog tot vijf minuten geleden. En hij weet precies wat er in 1987 is gebeurd. Henrik schoot zojuist op hem. Als Willem het heeft overleefd, heeft hij hulp nodig."
"Het is te gevaarlijk!" protesteerde ik. "We moeten de politie bellen!"
Stijn haalde zijn telefoon uit zijn zak. Het scherm was gebarsten en het apparaat reageerde niet meer. Het was waarschijnlijk beschadigd geraakt tijdens onze gehaaste vlucht uit de woning.
"Geen bereik, en mijn batterij is dood," zei hij koud. "We hebben geen keuze, mam. Als we nu afwachten, wist Henrik elk spoor uit. We moeten naar Vlissingen, naar dat magazijn."
We wachtten tot het geluid van Henriks auto definitief verstomde in de verte. Langzaam kropen we uit de hut. De wind was aangehaald en de regen sloeg koud in ons gezicht. We liepen niet via de weg, maar door de drassige sloten en velden richting de boerderij van mijn buren, waar we hoopten een vervoersmiddel of hulp te vinden.
Maar toen we de hoek van de houten schuur van de buren omdenken, bleef ik als aan de grond genageld staan.
In het zwakke licht van de erflamp zag ik de auto van de buren staan met het portier wijd open. Op de grond lag de oude boer Gerrit, roerloos. En vlak naast hem stond niet Henrik, maar een jonge man met een zwarte bivakmuts, die een zwaar kaliber pistool recht op ons richtte.
"Zo," zei de vreemdeling met een vervormde stem. "De erfgenaam en de weduwe. Henrik dacht al dat jullie deze kant op zouden rennen."






