Het hoofdbureau van de Brusselse politie was midden in de nacht een bijenkorf van drukke activiteit. Kamers verlicht door TL-buizen, het voortdurende gezoem van printers, agenten die af en aan liepen met dossiers en bekers oploskoffie. Tom en ik zaten naast elkaar in een klein verhoorkamertje op de tweede verdieping, en hielden elkaars hand vast alsof we bang waren dat de ander weer in het niets zou verdwijnen als we onze greep zouden lossen.
In het midden van de grijze formica tafel lag de doos van ivoor- en eikenhout. Ondanks dat de hoeken verbrand waren en hij bedekt was met roet, had hij de brand overleefd.
Inspecteur Claes, een vrouw van achter in de vijftig met vermoeide ogen en een beige trenchcoat die doordrenkt was van de regenrijke lucht, kwam de kamer binnen met twee plastic bekers warme thee.
"De hulpdiensten hebben ons zojuist geïnformeerd vanuit het medisch centrum," zei de inspecteur terwijl ze tegenover ons ging zitten. "Karel Van de Broek ligt op de intensive care. De operatie is geslaagd, maar zijn toestand blijft kritiek vanwege het bloedverlies en de ingeademde rook."
Een zucht van verlichting kwam uit de borst van Tom. "En mijn... en Marc?"
Het gezicht van inspecteur Claes werd duister. "De man die u kent als Marc heeft de afgelopen twintig jaar minstens vier verschillende identiteiten gebruikt. Zijn netwerk van vastgoedinvesteringen en privé-klinieken door heel België en Zwitserland was een dekking voor een complex systeem van fraude, witwassen en vervalsing van adoptiedocumenten. We hebben een internationaal opsporingsbevel uitgevaardigd, maar met zijn financiële middelen zou hij de grens met Frankrijk al over kunnen zijn of op weg zijn naar een privé-vliegveld."
"Hij zal niet weggaan," zei Tom plotseling met een koude, vaste stem. "Marc laat nooit iets onafgemaakt achter. Vooral niet als er iets is dat hem definitief kan ruïneren."
Ik draaide me om naar Tom en keek daarna naar de doos op de tafel. Ik herinnerde me de laatste woorden van Karel in de ambulance: Tussen de verbrande brieven... zit een geheim vak in de koperen bodem... De sleutel van de kluis in Antwerpen.
"Inspecteur," zei ik, terwijl ik de aandacht van de vrouw trok. "Mogen we de doos onderzoeken? Karel heeft me verteld dat er iets in zit dat Marc absoluut wilde vernietigen."
Inspecteur Claes knikte stemmende toe, trok een paar zwarte latex handschoenen aan en schoof de doos dichterbij. Samen verwijderden we met uiterste voorzichtigheid de laatste brieven die nog op de bodem lagen, waarvan vele zwarte randen hadden gekregen door de vlammen in de fabriek. Toen de houten basis volledig vrij was, merkte ik dat de binnenste messing bekleding niet perfect aan de eikenhouten omtrek was gelast.
Met de punt van een balpen die de inspecteur mij gaf, duwde ik op een kleine zilveren spijkerkop die verborgen zat in de rechterbovenhoek. Een lichte metalen klik deed de doos weerklinken.
De onderste metalen plaat kwam een centimeter omhoog en onthulde een geheim vak dat niet dieper was dan een paar vingers.
Binnenin lagen drie voorwerpen: een oude stalen sleutel met een ingegraveerd nummer (`BANQUE D'ANVERS - 408`), een notitieboekje met een zwarte lezeren kaft en een USB-stick van de eerste generatie, verzegeld in een transparant plastic zakje.
"Wat staat er in het notitieboekje?" vroeg ik met ingehouden adem.
Inspecteur Claes opende de eerste pagina van het lezeren boekje. De pagina's stonden vol met datums, adressen, bankrekeningnummers en namen van Belgische magistraten, artsen en ambtenaren, allemaal vergezeld van geldbedragen en aantekeningen geschreven in het onmiskenbare handschrift van Marc.
"Dit is geen gewoon dagboek," fluisterde de inspecteur met ogen die wijd openstonden van ongeloof. "Het is het hoofdregister van alle afpersingen en corruptie die Marc de afgelopen dertig jaar heeft gepleegd. Het hele netwerk dat hem beschermde toen Tom verdween staat erin. Als dit materiaal voor de rechtbank komt, belandt de helft van de bureaucratie in deze regio voor de rechter."
"En de sleutel van Antwerpen?" vroeg Tom.
"Het is de sleutel van een kluis in de kluisruimte van de Centrale Bank van Antwerpen," antwoordde de inspecteur. "Als wat hier staat waar is, worden daar de originele vervalste geboorteakten bewaard, de bewijzen van de sabotage aan de auto van Karel en het bankafschrift waar Marc het vermogen heeft gestort dat hij van jouw oorspronkelijke familie heeft gestolen."
Op dat moment flikkerden de lichten op het politiebureau. De TL-verlichting in de gang ging een seconde uit en werd vervangen door de flauwe rode lichten van het noodsysteem. Een brandalarm begon te loeien vanaf de begane grond van het politiegebouw.
Inspecteur Claes sprong overeind en greep haar dienstradio. "Centrale, hier Claes, wat is er aan de hand op de begane grond?!"
Uit de radio klonk alleen een harde statische ruis, gevolgd door een hese, bekende stem die de frequentie van de politie onderschepte:
"Anouk... breng me de sleutel naar Antwerpen voor zonsopgang. Als je de politie erbij betrekt, vliegt de kliniek waar jouw lieve Karel rust over dertig minuten in de lucht."






