Deel 6: Het gefluister door de kieren
De muziek zwol aan en vulde de gang met een vrolijke, triomfantelijke melodie die in schril contrast stond met de ijskoude grafstemming in onze kleedkamer. Mijn verloofde, wiens ademhaling inmiddels klonk als een hijgende motor, keek met wanhopige smekingen naar de deur en toen weer naar mij, alsof hij hoopte dat ik op een miraculeuze manier zou instorten en mijn verstand zou verliezen.
‘De muziek speelt,’ fluisterde hij, alsof dat een soort magische formule was die alle problemen kon doen verdwijnen. ‘Als we nu naar buiten gaan, kunnen we doen alsof er niets is gebeurd en vieren we ons feest. Niemand hoeft ooit achter de waarheid te komen.’ Zijn woorden walgden me aan; de bereidheid waarmee hij bereid was om zijn hele leven – en dat van mij – te baseren op een fundament van drijfzand en leugens, oversteg elkstellend vermogen van menselijk begrip.
Terwijl hij sprak, hoorde ik plotseling zachte voetstappen vlak bij het raam van de kleedkamer, gevolgd door een bekend stemgeluid dat van buiten naar binnen sijpelde. Het was Sophie, de vrouw die wettelijk zijn echtgenote bleek te zijn. Ze liep daar blijkbaar nog steeds rond, onvermogen om los te laten wat haar toebehoorde, of wellicht gedreven door eenzelfde gevoel van gerechtigheid dat door onze aderen gierde.
Ze begon zachtjes op het raam te tikken, een ritmisch, dringend geluid dat de melodie van het strijkkwartet bijna overstemde. Mijn verloofde verstijfde volledig en zijn gezicht nam een kleur aan die erg leek op lijkbleek wit. Hij wilde naar het raam rennen om de gordijnen dicht te trekken, maar ik was hem te snel af; met een snelle beweging trok ik de gordijnen wijd open en keog recht in de wanhopige, betraande ogen van de vrouw aan de andere kant van het glas.






