DEEL 8 — Het vertrek naar het eiland
De ochtend na de aanval zag het landgoed eruit als een belegerd fort. Politiesingels stonden rondom de hekken, en helikopterwieken zoemden constant in de lucht. In de bibliotheek zaten mijn vader, Santiago, oom Mateo en opa Ernesto rond de zware mahoniehouten tafel. Op tafel lag het metalen medaillon dat we bij de leider van de aanvallers hadden gevonden, samen met de gedetailleerde kaart van het eiland genaamd Isla de la Sombra — het Schaduweiland.
‘Dit is geen gewone bende,’ zei mijn vader terwijl hij met zijn vinger over de kaart gleed. ‘Dit is de oude vesting van de Zwarte Driehoek. Een militair fort uit de koloniale tijd dat decennia geleden door de Mexicaanse overheid is verlaten. Ze gebruiken het als uitvalsbasis voor illegale operaties.’ Santiago keek naar mij. Ik zat op een grote leren stoel en speelde met een klein houten blokje, hoewel ik elk woord opving. ‘Ze hebben geprobeerd Vale te grijpen omdat ze weten dat de sleutel alleen werkt in de handen van het echte erfgenaam. Zolang zij vrij rondlopen, is ze nergens veilig.’
Opa Ernesto sloeg met zijn wandelstok op de vloer. Zijn ogen straalden van een oude, strijdlustige woede. ‘Dan gaan we naar hen toe. We wachten niet tot ze terugkeren naar ons huis. De Mendoza’s buigen voor niemand.’ Mijn vader keek bezorgd op. ‘Vader, een eiland binnenvallen is geen zakelijk conflict. Het is oorlog. We kunnen Vale niet meenemen naar zo'n gevaarlijke plek!’ ‘Ze gaat mee,’ zei opa onverbiddelijk. ‘De sleutel kiest haar. Zonder haar is het eiland onbereikbaar voor ons. De poorten van de vesting openen zich alleen voor het bloed van de eerste Valentina.’
Santiago knikte langzaam, hoewel ik aan zijn gezicht zag hoe moeilijk hij het ermee had. ‘Opa heeft gelijk, Alejandro. Ik zal haar geen seconde uit het oog verliezen. Ramiro en vijftig van onze beste beveiligers gaan mee in de privé-vliegtuigen en de jachten.’
Die middag vertrokken we in alle stilte. Drie zwarte helikopterstegen op vanaf het landgoed en zetten koers naar de zuidkust, waar onze privévloot klaarlogde om de open zee over te steken richting Isla de la Sombra. Ik zat op schoot bij Santiago, die me stevig vasthield terwijl de rotoren boven ons lawaai maakten. In mijn jaszak voelde ik de koperen sleutel trillen, alsof hij wist dat we dichter bij onze bestemming kwamen.
Na een vlucht van drie uur doken in de verte de steile, rotsachtige kliffen van een verlaten eiland op uit de mistige oceaan. Boven op de hoogste rots stond een enorm, somber stenen fort met zwarte muren die deden denken aan een middeleeuws kasteel. ‘Dat is het,’ fluisterde Santiago terwijl hij mijn hand pakte. ‘Maak je klaar, Vale. Nu begint het echt.’
Toen onze helikopter landde op de rotsachtige landingsplaats van het eiland, stonden er al tientallen gewapende mannen van de Zwarte Driehoek te wachten, met hun wapens gericht op onze landing. Maar wat zij niet wisten, was dat de sleutel in mijn zak op het punt stond om hun hele vesting open te breken...
* * *






