Deel 2: Het geheime verleden van mijn zoon
De naam die de notaris uitsprak, echode na in de stille kamer. Mark. Mijn oudste zoon. Hoe kon die rekening op zijn naam staan van twintig jaar geleden? Toen was hij nog maar een tiener. Een jongen die dacht dat de wereld om hem draaide, net zoals nu. Ik liet de telefoon bijna vallen. “Weet u dit zeker, meester van der Linden?” vroeg ik met een beverige stem.
“Absoluut, mevrouw de Vries,” antwoordde de notaris streng. “De handtekening van uw overleden man staat erop, maar er is destijds een machtiging afgegeven voor een minderjarige erfgenaam. De handtekening van Mark staat er ook op, medeondertekend door zijn vader.” Mijn gedachten schoten terug naar die zomer, precies twintig jaar geleden. Mark was toen zeventien.
Hij had ruzie gehad met zijn vader, een enorme ruzie die dagen duurde. Mijn man was toen al zwakker dan hij liet merken, maar hij hield koppig zijn mond dicht over van alles. Wat hadden ze destijds besloten achter mijn rug om? Diezelfde middag reed ik naar het kantoor van de notaris. Het regende zachtjes, typisch Hollands weer dat paste bij de sombere storm in mijn hoofd.
Meester van der Linden lagde de oude papieren voor me neer. Geel geworden enveloppen, bankafschriften uit het buitenland en een handgeschreven brief van mijn man. Ik trok de brief naar me toe en begon te lezen. “Lieve Martha, als je dit leest, ben ik er niet meer, en waarschijnlijk is Mark dan een man geworden die ik nauwelijks meer herken. Dit geld is niet van ons. Het is het fonds dat ik heb opgericht voor de toekomst die hij dreigde te verwoesten...” Mijn adem stokte.
Welke toekomst? Wat had Mark in vredesnaam gedaan toen hij zeventien was waar ik geen weet van had? De notaris keek me medelevend aan. “Er is meer, mevrouw. Er zijn transacties gedaan. Grote bedragen, overgemaakt naar een rekening in Zwitserland, pas afgesloten toen uw zoon twintig werd. Maar het vreemde is: het geld is nooit opgenomen. Het staat er nog steeds.
Onaangeroerd.” Ik staarde naar de cijfers. Vier keer zoveel als mijn eigen vermogen. En mijn zoon wist hier niets van? Of... wist hij er wél van en deed hij alsof zijn neus bloedde? Die avond besloot ik Mark te confronteren. Ik belde hem niet. Ik reed naar zijn dure vrijstaande woning in een villawijk in Utrecht. Zijn auto stond op de oprit. Toen ik aan de deur aannam en aanelde, duurde het lang voordat er open werd gedaan.
Mark verscheen in de deuropening met een glas wijn in zijn hand. Zijn ogen vernauwden zich toen hij mij zag. “Wat doe jij hier zo laat? We hebben toch alles besproken?” zei hij bits. Ik duwde mezelf langs hem heen de hal in. “We zijn nog lang niet klaar met praten, Mark,” zei ik kalm, terwijl ik mijn jas ophing. Hij keek me ongelovig aan, maar voordat hij kon uitvallen, liep ik door naar de woonkamer waar zijn vrouw geschrokken van de bank op sprong.
“Mam? Is er iets gebeurd?” vroeg ze bezorgd. Ik keek mijn zoon recht in de ogen en legde de kopie van het bankafschrift op de salontafel. “Vertel eens, Mark,” zei ik met een ijskoude rust die ik niet van mezelf kende. “Wanneer was je van plan om mij te vertellen over de geheime rekening van je vader in Zwitserland?” De kleur trok direct uit zijn gezicht weg. Hij staarde naar het papier en zijn hand begon zo hevig te trillen dat zijn glas wijn bijna over de rand klotste.






