DEEL 9 — De confrontatie met de generaal
De nacht was pikdonker toen mijn zwarte militaire terreinwagen het landgoed van oud-generaal Arthur Vance naderde. Het landgoed lag verscholen in de beboste heuvels buiten de stad, omgeven door een hoog hek van smeedijzer en beveiligd met geavanceerde camera’s. Maar voor iemand die zelf de systemen had helpen ontwerpen, waren die camera’s niet meer dan knipperende kerstlampjes.
Ik stapte uit de wagen, gekleed in mijn volledige, donkere veldtenue. Geen medailles nu, geen ceremonieel jasje. Alleen tactische uitrusting, een stalen blik en de absolute zekerheid van rechtvaardigheid.
De poort opende zich zonder dat ik een vinger hoefde uit te steken — een digitaal handigheidje van mijn eigen eenheid dat de beveiliging van de oud-generaal binnen enkele seconden had overgenomen.
Ik liep de lange oprijlaan op. Het hoofdhuis was groot, kolossaal en donker, op één enkel brandend licht na op de eerste verdieping in de studeerkamer.
Ik liep naar de zware eikenhouten voordeur. Ik klopte niet. Met één welgemikte, krachtige trap drukte ik het slot uit de sponning. De deur zwaaide met een luide knal open.
Binnen klonk direct gestommel. Uit de studeerkamer kwam een oudere man gehaast naar beneden gelopen, gehuld in een zijden ochtendjas, met een gouden revolver in zijn hand. Zijn gezicht, geplooid door rimpels en ouderdom, vertrok in een mix van schrik en woede toen hij mij in de hal zag staan.
“Wie in godsnaam…?” begon Arthur Vance, voordat zijn ogen gewend raakten aan het duister en hij mij herkende.
Zijn mond viel open. De revolver in zijn hand begon licht te trillen.
“Jij… jij durft hier te komen, Diana?” snauwde hij, terwijl hij probeerde zijn stem te stabiliseren. “Je hebt mijn neef Marcus en al die andere mensen lastiggevallen! Je denkt zeker dat je onaantastbaar bent omdat je het tot kolonel hebt geschopt?”
Ik liep langzaam naar hem toe, mijn stappen galmden over de marmeren vloer. Ik keek hem recht in zijn waterige, angstige ogen.
“Je hebt mijn man gebruikt, Arthur,” zei ik met een stem die fluisterzacht klonk, maar met de kracht van een sloophamer. “Je hebt een zwakke, arrogante dwaas gebruikt om te proberen mij te breken. Je dacht dat je via een schijnbare faillissementconstructie mijn huis kon afpakken, en dat je daarna mijn kinderen kon bedreigen.”
Arthur lachte schamper, al klonk het hol. “Bewijzen! Je hebt geen enkel bewijs dat mij aan die constructie koppelt! Alles staat op naam van Vanguard Holdings en een postbus in Delaware!”
Ik haalde een kleine usb-stick uit mijn zak en hield hem omhoog in het zwakke licht van de hal.
“Vannacht om precies twaalf uur heeft mijn eenheid de servers van Vanguard Holdings gehackt,” zei ik koud. “En weet je wat we daar vonden, Arthur? Niet alleen de digitale handtekening van jou, maar ook de opnames van het telefoongesprek waarin je eigenhandig aan Brandon opdroeg hoe hij het geld moest wegsluizen om mij kapot te maken.”
Arthur’s gezicht werd lijkbleek. De revolver zakte langzaam naar beneden.
“Je… je hebt gelogen,” stamelde hij. “Dat kan niet… de servers waren versleuteld…”
“Niks is onversleuteld voor het Cyber Command, Arthur,” zei ik, terwijl ik nu op nog geen meter afstand van hem stond. “Je tijd is om. Je carrière, je reputatie, je vrijheid — alles is voorbij.”
Op dat moment klonk het geronk van zware motoren buiten op de oprijlaan. Vier militaire voertuigen reden het terrein op, hun koplampen verlichtten de hele gevel van het landgoed. Zwaailichten flitsten rood en blauw door de ramen.
De voordeur werd opengetrokken en een eenheid van de militaire politie liep naar binnen, hun wapens in de aanslag.
“Generaal Arthur Vance,” sprak de officier die aan het hoofd stond, met een stem die geen tegenspraak duldde. “U wordt aangehouden op verdenking van hoogverraad, financiële fraude en samenzwering tegen actieve militairen.”
Arthur liet de revolver vallen. Het wapen kletterde luid op het marmer. Hij keek me aan met een blik van pure vernietiging en haat, maar zijn lippen bewogen niet meer. Hij wist dat hij verslagen was.






