Deel 11: De Nachtelijke Afspraak
De klok op het nachtkastje tikte langzaam naar middernacht. Buiten beukte de regen tegen de ramen van de slaapkamer op de bovenverdieping, net zoals in die nachten waarin we vroeger als kinderen angstig onder de dekens kropen tijdens een zware herfststorm. Mijn vader lag in de logeerkamer te slapen, uitgeput van de hectische dagen en de talloze verhoren bij de politie. Ik had hem niets verteld over het briefje. Als ik hem zou inlichten, zou hij me tegenhouden, en ik wist dat ik dit zelf moest uitzoeken.
Ik trok een donkere jas aan, stopte de autosleutels in mijn zak en pakte de messing sleutel van kamernummer 402 vast. Mijn hand trilde toen ik de voordeur van ons huis dichttrok en in mijn oude sedan stapde. De motor startte na een korte hapering, en al snel reed ik door de donkere, verlaten straten van Seattle op weg naar het motel aan de rand van de stad.
Het motel was een troosteloze plek met een knipperend neonbord dat door de regen een griezelige rode gloed over de natte asfaltparking wierp. Slechts twee auto's stonden op de parkeerplaats. Ik parkeerde mijn wagen in de schaduw van een grote eik, zette de motor uit en haalde diep adem.
De trap naar de bovenverdieping kraakte onder mijn gewicht. De houten reling was nat en plakkerig. Ik liep langs de genummerde deuren tot ik bij 402 aankwam. De deur stond op een kier. Een zwak geel licht scheen door de opening naar buiten, vermengd met de geur van sigarettenrook en goedkope bourbon.
Ik duwde de deur langzaam open. De planken kraakten luid. In het midden van de kleine, sombere kamer stond een man met zijn rug naar mij toegekeerd bij het raam. Hij keek naar de regen die op het parkeerterrein neerkletterde.
“Je bent gekomen, Chloe,” zei de man met een stem die door merg en been ging. Het was niet de stem van mijn vader. En het was zeker niet de stem van oom Richard.






