DEEL 5 – De vrouw die nog leefde
Niemand bewoog.
De envelop lag op tafel tussen ons in alsof hij elk moment kon ontploffen.
Ik bleef naar de laatste zin kijken.
OF DE VOLGENDE DOOD IS GEEN ONGELUK.
Mijn vingers waren koud geworden.
“Dit is een bedreiging,” fluisterde ik.
Vermeer knikte.
“Dat lijkt me duidelijk.”
Timo liep naar het raam en keek naar buiten.
“Wie kan dit gedaan hebben?”
“Dat is precies wat we moeten uitzoeken.”
Ingrid bleef zwijgen.
Ik draaide me naar haar om.
“U wist dat mijn moeder leefde.”
Ze keek me aan.
“Ik wist dat ze niet dood was.”
“Waar is ze?”
“Ik weet het niet.”
“U liegt.”
“Ik zweer het.”
“U hebt mijn hele leven gelogen!”
Mijn stem sloeg door de kamer.
Ingrid kromp ineen.
“Niet alles was een leugen.”
“Welke delen dan?”
Ze antwoordde niet.
Vermeer pakte de brief van Willem op.
“Er staat nog iets op de achterkant.”
Ik keek hem verbaasd aan.
Hij hield het papier tegen het licht.
Een bijna onzichtbare tekst verscheen.
Station Utrecht – kluis 314.
Timo keek naar hem.
“Wat betekent dat?”
“Een aanwijzing.”
“Van Willem?”
Vermeer knikte.
“Hij gaf me deze brief twee dagen voor zijn dood. Hij zei dat ik hem alleen mocht openen als er iets met hem gebeurde.”
“En waarom hebt u mij dit niet eerder verteld?”
“Omdat ik eerst wilde weten of u veilig was.”
Ik voelde mijn hart sneller slaan.
“Dacht u dat iemand mij zou proberen te vermoorden?”
“Niet direct.”
“Wat bedoelt u met niet direct?”
“Willem geloofde dat degene die hem had bedrogen eerst zijn reputatie zou vernietigen. Daarna zijn geld. En uiteindelijk…”
Hij maakte zijn zin niet af.
Timo keek hem aan.
“U denkt dat mijn vader is vermoord.”
Vermeer zweeg.
Dat was antwoord genoeg.
Ik pakte mijn jas.
“Dan gaan we naar Utrecht.”
“Nu?” vroeg Serena.
“Ja.”
Vermeer stond op.
“Dat is misschien niet verstandig.”
“Mijn moeder leeft misschien ergens. Iemand bedreigt mij. Mijn vader is mogelijk vermoord. Ik ga niet hier blijven zitten wachten.”
Timo keek me aan.
“Ik ga mee.”
Ingrid greep zijn arm.
“Niet doen.”
Hij trok zich los.
“Waarom?”
“Omdat je niet weet wat je daar zult vinden.”
Timo keek haar strak aan.
“Dat is precies waarom ik ga.”
Een uur later stonden we op Utrecht Centraal.
Het station was druk.
Mensen liepen langs ons heen zonder te weten dat onze levens in een paar minuten volledig konden veranderen.
Vermeer liep voorop.
“Kluis 314 bevindt zich in de oude bagagezone.”
“Hoe weet u dat?” vroeg ik.
“Willem heeft me ooit laten zien waar hij zijn belangrijkste documenten bewaarde.”
We bereikten de kluizen.
Mijn handen trilden toen Vermeer een sleutel uit zijn zak haalde.
Hij keek naar mij.
“Willem gaf deze sleutel aan mij.”
De sleutel paste.
De deur klikte open.
Binnen lag slechts één metalen doos.
Ik haalde hem eruit.
Op de bovenkant stond mijn naam.
EVA.
Ik opende de doos.
Er lagen drie dingen in.
Een geboorteakte.
Een oude bankpas.
En een cassettebandje.
Ik pakte de geboorteakte.
Mijn ogen gingen meteen naar de naam van de moeder.
Anna de Vries.
Mijn adem stokte.
“Het is echt.”
Onder de geboorteakte lag een bankafschrift.
Een rekening die twintig jaar geleden was geopend.
De rekening stond op mijn naam.
“Hoeveel staat erop?” vroeg Timo.
Ik keek naar het bedrag.
Mijn mond viel open.
€1.840.000.
Timo zei niets.
Vermeer keek ernstig.
“Willem heeft die rekening voor u geopend.”
“Maar waarom?”
“Om ervoor te zorgen dat u nooit financieel afhankelijk zou zijn van zijn familie.”
Ik voelde tranen in mijn ogen.
Mijn vader had dus al die jaren aan mij gedacht.
Zelfs toen ik niet eens wist dat hij mijn vader was.
Toen pakte ik het cassettebandje.
“Waar kunnen we dit afspelen?”
Vermeer wees naar een kleine ruimte aan het einde van de gang.
“Daar.”
Binnen stond een oude speler.
Ik stopte het bandje erin.
Er klonk eerst alleen ruis.
Toen hoorde ik een stem.
Willem.
Mijn adem stokte.
“Eva…”
Mijn ogen vulden zich met tranen.
“Als je dit hoort, ben ik er niet meer.”
Ik kneep mijn handen samen.
“Ik heb je jarenlang op afstand gehouden omdat ik dacht dat ik je daarmee beschermde.”
Een korte stilte.
“Maar ik heb een fout gemaakt.”
Het bandje kraakte.
“Anna heeft nooit vrijwillig bij mij weggegaan.”
Ik keek naar Vermeer.
Timo verstijfde.
Willems stem ging verder.
“Ze werd gedwongen te verdwijnen.”
Mijn hart sloeg wild.
“Door wie?”
Op de opname kwam een lange stilte.
Toen sprak Willem slechts één naam uit.
Ik voelde mijn bloed koud worden.
“Door Ingrid.”
Timo sprong op.
“Nee.”
Op het bandje ging Willem verder.
“Maar zij deed het niet alleen.”
De opname kraakte.
“Iemand uit mijn eigen bedrijf hielp haar.”
Daarna klonk er een harde klik.
De opname stopte.
Timo staarde naar zijn moeder.
“Wie?”
Ingrid zat op de stoel tegenover ons.
Ze huilde.
Maar ze ontkende niets.
“Zeg het,” zei Timo.
Ze keek hem aan.
“Je vader wist te veel.”
“Wie hielp jou?”
Ingrid sloot haar ogen.
Toen fluisterde ze:
“Johan.”
Vermeer verstijfde.
Ik kende die naam niet.
Maar Timo wel.
Hij werd lijkbleek.
“Johan is dood.”
Vermeer keek naar hem.
“Wanneer is hij overleden?”
“Drie jaar geleden.”
Vermeer schudde langzaam zijn hoofd.
“Nee.”
Hij pakte zijn telefoon.
“Johan van Dalen leeft.”
Op dat moment ging mijn telefoon.
Een onbekend nummer.
Ik nam op.
Niemand sprak.
Toen hoorde ik een vrouwenstem.
Zacht.
Gebroken.
Maar ik herkende haar meteen.
“Eva?”
Mijn hart stopte bijna.
“Wie bent u?”
Aan de andere kant klonk een snik.
“Mijn kind…”
Ik kon niet meer ademen.
“Anna?”
Een lange stilte.
Toen fluisterde de vrouw:
“Je vader heeft je niet alles verteld.”
“Waar bent u?”
“Ik heb niet veel tijd.”
“Waar bent u?”
Haar stem werd zachter.
“Vertrouw Vermeer niet.”
De verbinding werd verbroken.
Ik keek langzaam op.
Vermeer stond recht tegenover me.
Zijn gezicht was lijkbleek.
En toen zag ik wat er op zijn telefoon stond.
Een bericht.
ZE HEEFT HAAR GEVONDEN. NU JIJ.






