DEEL 2 — DE SCHOENENDOOS
Ik keek naar de schoenendoos alsof er iets gevaarlijks in zat.
“Wat is dit?” vroeg ik.
Johan antwoordde niet.
Hij knikte alleen naar de doos.
Ik tilde het deksel op.
Bovenop lagen bonnetjes.
Een rekening voor stookolie.
Een rekening van de apotheek.
Een boodschappenkaart.
Nog een rekening voor medicijnen.
Ik pakte de eerste bon.
€86,40.
De volgende.
€74,15.
Daarna een rekening van bijna honderd euro.
Ik begreep er niets van.
Toen vond ik een vel papier.
Acht namen stonden erop.
Maria de Boer.
Hendrik Visser.
Els van Leeuwen.
En vijf andere namen.
Ik kende ze allemaal.
Het waren mensen uit onze gemeente.
Weduwen.
Oudere mannen.
Mensen die alleen woonden.
Mensen die tijdens de collecte altijd iets gaven, zelfs wanneer ze zelf nauwelijks rondkwamen.
“Wat heeft dit met Pieter te maken?” vroeg ik.
Johan keek naar de grond.
“Alles.”
Mijn adem stokte.
“Betaalt Pieter deze rekeningen?”
Johan knikte.
“Al maanden.”
“Met het geld uit de collectemand?”
Hij antwoordde niet meteen.
Toen zei hij:
“Ja.”
Ik keek opnieuw naar de bedragen.
340 euro per week.
Precies het bedrag dat uit het dakfonds verdween.
“Dus hij steelt geld van de kerk om anderen te helpen?”
“Zo eenvoudig is het niet.”
Ik fronste.
“Hoe bedoelt u?”
Johan pakte een envelop uit de doos.
“Pieter heeft mij gevraagd nooit te vertellen waar het geld vandaan komt.”
“Waarom?”
“Omdat hij niet wil dat deze mensen weten dat iemand hen helpt.”
Ik begreep het nog steeds niet.
“Maar dit is nog steeds geld van de kerk.”
Johan keek me recht aan.
“Dat dacht ik eerst ook.”
Hij schoof de envelop naar me toe.
“Open hem.”
Binnenin zat een brief.
Het handschrift herkende ik onmiddellijk.
Pieter.
Er stond slechts één zin:
“Vertel hen niet dat het geld van de kerk komt.”
Daaronder stond:
“Zeg dat het van…”
De rest was doorgestreept.
Ik keek naar Johan.
“Waarom heeft hij dit niet afgemaakt?”
De dominee zuchtte.
“Omdat iemand hem onderbrak.”
“Wie?”
Hij keek naar de deur.
“Ik weet het niet.”
Op dat moment hoorde ik voetstappen in de gang.
We keken allebei op.
De deur ging langzaam open.
Pieter stond daar.
En hij keek recht naar de schoenendoos.
Zijn gezicht werd bleek.
“Anna,” zei hij.
“Je had dit nooit mogen zien.”






