DEEL 5 — DE KELDER
Hailey voelde haar benen trillen.
Walter wees met het wapen naar de gang.
“Vooruit.”
Niemand bewoog.
“Nu.”
Carter legde langzaam zijn handen omhoog.
“Alsjeblieft.”
Walter keek hem aan.
“Je lijkt op mij.”
“Dat is niet iets waar ik trots op ben.”
Een kleine glimlach verscheen op Walters gezicht.
“Dat zul je nog wel leren.”
Ze liepen door de donkere gang.
Hailey hield Edith vast.
De oude vrouw liep moeilijker dan normaal.
Bij de lift bleef Walter staan.
“Trap.”
Carter keek naar hem.
“Waarom?”
“Omdat de lift wordt opgenomen.”
Hailey voelde haar maag samentrekken.
“Door wie?”
Walter keek haar aan.
“Je bent nieuwsgierig.”
“Dat ben ik.”
“Dat is een gevaarlijke eigenschap.”
Ze bereikten de kelder.
Walter liep naar een oude metalen deur.
Hailey herkende hem.
Dezelfde deur die volgens Edith veertig jaar geleden was afgesloten.
Walter haalde een sleutel tevoorschijn.
Hij draaide hem om.
De deur kraakte.
Binnen was het pikdonker.
“Edith,” zei Walter.
“Waar is ze?”
Edith verstijfde.
“Wie?”
“Clara.”
Hailey keek naar haar.
“Je weet het,” zei Walter.
“Je hebt haar meegenomen.”
“Ja.”
Carter keek hem geschokt aan.
“Waarom?”
Walter keek naar zijn zoon.
“Omdat ze iets zag wat ze nooit had mogen zien.”
“Ze was zeven!”
“Kinderen praten.”
“Je hebt haar vermoord.”
Walter schudde zijn hoofd.
“Nee.”
Carter keek hem aan.
“Waar is ze?”
Walter antwoordde niet.
In plaats daarvan wees hij naar een tafel.
Daarop lag een oud dossier.
Edith liep er langzaam naartoe.
Ze pakte het op.
De eerste pagina bevatte een foto.
Een volwassen vrouw.
Rood haar.
Groene ogen.
Hailey keek ernaar.
Ze kende dat gezicht.
Ze had het ergens gezien.
“Wie is dat?”
Edith fluisterde:
“Clara.”
Carter hapte naar adem.
“Dat is onmogelijk.”
Walter zei:
“Ze is nu zevenenveertig.”
Edith begon te huilen.
“Waar is ze?”
Walter keek haar aan.
“Dichterbij dan je denkt.”
Hailey voelde een vreemde angst.
“Wat betekent dat?”
Walter glimlachte.
“Jij stelt te veel vragen.”
Hij richtte zijn wapen op haar.
Edith stapte voor Hailey.
“Laat haar met rust.”
Walter keek naar Edith.
“Waarom bescherm je haar?”
“Omdat ze goed is.”
Walter lachte zacht.
“Goedheid heeft mijn familie bijna vernietigd.”
Carter pakte plotseling een zware metalen staaf van de tafel.
Hij sloeg ermee naar Walters arm.
Het pistool viel.
Hailey greep Edith.
“Rennen!”
Ze stormden de gang uit.
Carter bleef achter.
“Ga!”
Hailey hoorde een worsteling achter zich.
Toen een schot.
Ze schreeuwde.
“Carter!”
Edith trok haar arm.
“Niet stoppen!”
Ze renden tot ze een zijdeur bereikten.
Hailey duwde hem open.
Ze kwamen in een verlaten opslagruimte.
Edith zakte tegen de muur.
“Hij heeft hem neergeschoten.”
Hailey keek terug.
“Carter…”
Maar toen klonk achter hen een stem.
“Hier.”
Carter stond in de deuropening.
Bloed liep langs zijn arm.
Maar hij leefde.
“Kom.”
Hailey rende naar hem toe.
“Je bent geraakt!”
“Alleen mijn arm.”
“Waar is Walter?”
Carter keek naar de donkere gang.
“Verdwenen.”
Edith fluisterde:
“Hij laat ons leven.”
Hailey keek haar aan.
“Waarom?”
Edith antwoordde:
“Omdat hij wil dat we hem volgen.”
Carter keek naar het dossier dat Edith nog steeds vasthield.
“Er staat een adres in.”
“Waar?”
Carter las het.
Zijn gezicht werd bleek.
“Een ziekenhuis.”
Hailey keek hem aan.
“Welk ziekenhuis?”
Carter slikte.
“Oakridge.”
Hailey begreep het niet.
“Dit is Oakridge.”
Carter schudde zijn hoofd.
“Nee.”
Hij wees naar de laatste regel.
“Er staat een afdeling.”
Hailey las.
Ondergrondse afdeling — kamer 7.
Edith sloot haar ogen.
“Daar ligt ze.”
“Wie?”
Edith fluisterde:
“Clara.”
Hailey keek naar de deur.
En toen besefte ze iets.
Als Clara al die jaren onder Oakridge verborgen was geweest…
dan was Hailey misschien niet toevallig hier gaan werken.
Misschien was ze hierheen gebracht.
Speciaal.
Door iemand die wist dat Edith ooit zou praten.






