DEEL 4 — DE MAN DIE DOOD WAS
Niemand sprak.
Hailey keek naar Carter alsof ze hem voor het eerst zag.
“Je vader leeft?”
Carter knikte langzaam.
“Dat is wat ik denk.”
Edith schudde haar hoofd.
“Onmogelijk.”
“Dat zei ik ook.”
“Walter is twintig jaar geleden begraven.”
“Een man is begraven.”
Carter keek naar zijn moeder.
“Maar niemand heeft ooit bewezen dat het Walter was.”
Ediths gezicht werd lijkbleek.
“Wat heb je ontdekt?”
Carter haalde een envelop uit zijn jas.
“De begrafenisakte klopt.”
“Dus?”
“De medische gegevens niet.”
Hailey nam de envelop aan.
Er stonden kopieën in van oude documenten.
“Hier,” zei Carter.
“Dit is het DNA-rapport.”
Hailey las.
De naam Walter Ledbetter stond bovenaan.
Maar eronder stond:
Identificatie niet definitief vastgesteld.
“Waarom heeft niemand dit eerder gezien?”
“Omdat iemand het dossier heeft laten verdwijnen.”
Edith fluisterde:
“Wie?”
Carter keek naar haar.
“Whitmore.”
Hailey voelde haar huid koud worden.
“De advocaat?”
“Zijn vader.”
“Maar Samuel is ook dood.”
“Ja.”
Carter lachte bitter.
“Dat is blijkbaar een familietraditie.”
Edith keek hem scherp aan.
“Waarom wil je mij krankzinnig laten verklaren?”
Carter sloot zijn ogen.
“Ik wil dat niet.”
“Je hebt de papieren ingediend.”
“Ik werd gedwongen.”
“Door wie?”
Carter keek naar de deur.
“Door de man die mijn vader diende.”
“Wie?”
Carter antwoordde niet.
Hailey begreep het.
“De directeur?”
Carter knikte.
“Miller.”
Edith staarde naar haar zoon.
“Waarom?”
“Omdat Miller toegang heeft tot jouw geld.”
“Mijn geld?”
“Je denkt dat je vermogen veilig is omdat je een testament hebt.”
Carter keek haar aan.
“Maar het grootste deel staat in een trust.”
“En?”
“De trust wordt beheerd door een stichting.”
“Welke?”
Carter fluisterde:
“Ledbetter Foundation.”
Hailey voelde een golf van misselijkheid.
“Wie bestuurt die?”
“Walter.”
Edith sloeg een hand voor haar mond.
“Maar Walter is dood.”
“Dat is het probleem.”
Carter keek naar de klok.
“Hij bestuurt hem nog steeds.”
“Hoe?”
“Digitale machtigingen.”
“Dat kan niet.”
“Dat dacht ik ook.”
Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn.
“Maar gisteren kreeg ik een bericht.”
Hij liet het scherm zien.
STOP MET ZOEKEN.
Daaronder stond:
JE MOEDER IS NIET DE ENIGE DIE JE KUNT VERLIEZEN.
Hailey keek hem aan.
“Wie stuurde dat?”
“Een nummer dat officieel niet bestaat.”
Edith liep naar het raam.
“Hij weet dat je hier bent.”
Carter knikte.
“Daarom moeten we vannacht weg.”
Hailey schudde haar hoofd.
“Waarheen?”
“De bank.”
“De kluis.”
Carter knikte.
“Precies.”
Edith greep zijn arm.
“Je begrijpt het niet.”
“Wat?”
“Als Walter werkelijk leeft…”
Ze keek hem recht aan.
“Dan heeft hij nooit opgehouden met zoeken.”
“Waarnaar?”
Edith zweeg.
Hailey zag haar gezicht veranderen.
“Clara,” fluisterde ze.
Edith knikte.
“Hij zoekt nog steeds naar haar.”
Carter keek geschokt.
“Maar waarom?”
“Omdat ze iets heeft meegenomen.”
“Wat?”
Edith keek naar de metalen doos.
“De originele administratie.”
Carter begreep het onmiddellijk.
“Dus Clara wist waar al het geld naartoe ging.”
“Ja.”
“En ze leeft?”
Edith keek hem aan.
“Als jij gelijk hebt…”
Ze haalde diep adem.
“Dan leeft mijn dochter misschien nog steeds.”
Op dat moment ging het licht uit.
De hele instelling werd donker.
Een seconde later klonk het brandalarm.
Mensen begonnen op de gangen te schreeuwen.
Hailey greep Edith vast.
“Blijf bij me!”
Carter keek naar de deur.
“Dit is geen stroomstoring.”
“Hoe weet je dat?”
“Omdat alleen deze vleugel donker is.”
Een metalen geluid klonk vanuit de gang.
Een sleutel.
Jemand probeerde de deur te openen.
Carter duwde Edith achter zich.
“Wie is daar?”
Geen antwoord.
Toen werd de deur langzaam geopend.
Een figuur stapte naar binnen.
Hailey kon zijn gezicht niet zien.
Maar ze hoorde zijn stem.
Een rustige, oude stem.
“Edith.”
De oude vrouw verstijfde.
“Walter?”
De figuur zette één stap naar voren.
Het noodlicht sprong aan.
Hailey zag zijn gezicht.
Een oude man.
Grijs haar.
Een litteken boven zijn rechteroog.
Edith liet een kreet horen.
“Dat kan niet.”
De man glimlachte.
“Veertig jaar geleden zei je dat ook.”
Carter deinsde achteruit.
“Papa…”
De man keek naar hem.
“Mijn zoon.”
Toen trok hij een pistool uit zijn jas.
“Nu gaan we allemaal naar de kelder.”






