DEEL 4 — Thomas stond voor mijn deur met één eis
Toen ik thuiskwam, stond Thomas inderdaad voor mijn kleine appartement.
Hij droeg een duur pak.
Naast hem stond een onbekende man met een leren aktetas.
Ik bleef op afstand.
"Wat doet u hier?"
Thomas glimlachte.
"Ik wil praten."
"Er valt niets meer te bespreken."
Zijn glimlach verdween.
"U weet inmiddels van Lucas."
Mijn hart sloeg over.
"Wie heeft u dat verteld?"
"Dat doet er niet toe."
Hij stapte naar voren.
"Waar is mijn zoon?"
"Mijn kleinzoon is geen bezit."
"Ik ben zijn vader."
"Dat bent u achttien jaar lang niet geweest."
Zijn gezicht verstrakte.
"Ik wist het niet."
"En nu weet u het wel omdat er geld bij betrokken is."
Hij keek me woedend aan.
"U hebt geen idee waar u over praat."
"Ik weet genoeg."
Hij wees naar de man naast hem.
"Dit is mijn advocaat."
Ik lachte bitter.
"Voor mijn deur?"
"Ik wil dat u een overeenkomst tekent."
Hij haalde een document uit de aktetas.
"U krijgt een aanzienlijk bedrag."
Ik keek naar het papier.
"En wat moet ik daarvoor doen?"
"U verklaart dat Lucas niet mijn biologische zoon is."
Ik voelde mijn bloed koken.
"U wilt dat ik lieg?"
"Ik wil dat u verstandig bent."
"U hebt mij ontslagen."
"Dat was een zakelijke beslissing."
"U hebt me na achttien jaar één week loon gegeven."
"En nu bied ik u meer."
Ik scheurde het document in tweeën.
Thomas werd lijkbleek.
"U maakt een grote fout."
"Nee," zei ik. "Ik heb achttien jaar geleden al een fout gemaakt."
"Welke?"
"Ik vertrouwde de familie Van Dijk."
Hij draaide zich om.
"U zult hier spijt van krijgen."
Toen vertrok hij.
Ik deed de deur dicht en belde onmiddellijk Pieter.
Hij nam meteen op.
"Ik heb het geweigerd."
"Dat had ik verwacht."
"Wat moet ik doen?"
"Kom morgenochtend naar mijn kantoor."
De volgende dag vertelde Pieter mij iets wat ik nooit had kunnen bedenken.
Willem had een tweede testament opgesteld.
Niet alleen had hij Lucas als erfgenaam aangewezen.
Hij had ook een stichting opgericht.
Een deel van zijn vermogen zou worden gebruikt om kinderen uit financieel kwetsbare gezinnen te helpen.
Maar het belangrijkste was een beveiligingsclausule.
Als Thomas zou proberen Lucas of mij onder druk te zetten, zou hij zijn volledige erfenis verliezen.
"Waarom deed Willem dat?"
Pieter antwoordde:
"Omdat hij zijn zoon kende."
Die middag werd er opnieuw aangebeld.
Dit keer stond er geen Thomas.
Het was een vrouw.
Ze was ongeveer mijn leeftijd.
"Mijn naam is Marianne."
Ik kende haar niet.
"Wat wilt u?"
Ze keek achterom voordat ze fluisterde:
"Ik was vroeger de secretaresse van Willem."
Ik liet haar binnen.
Ze ging zitten en haalde een kleine envelop uit haar tas.
"Dit vond ik na zijn dood."
Op de envelop stond:
ALLEEN VOOR HELENA.
Mijn handen trilden toen ik hem opende.
Er zat een oude foto in.
Mijn dochter Sophie.
Thomas.
En Willem.
Maar op de achterkant stond een datum.
Twee dagen vóór Sophie's dood.
Ik keek Marianne aan.
"Waarom heeft Willem deze foto bewaard?"
Marianne slikte.
"Omdat er iets op staat wat niemand mocht weten."
"Wat?"
"Thomas was niet alleen degene die Sophie in de steek liet."
Ik voelde mijn hart stoppen.
"Wat bedoel je?"
Marianne keek naar de grond.
"De avond voordat Sophie stierf, had ze Willem verteld dat ze bewijs had dat Thomas betrokken was bij iets illegaals."
"Wat voor iets?"
"Fraude binnen het familiebedrijf."
Ik kon nauwelijks ademhalen.
"En Sophie wilde naar de politie."
Marianne knikte.
"Ze heeft diezelfde avond een afspraak gemaakt."
"Met wie?"
"Met de politie."
Ik keek opnieuw naar de foto.
"Maar ze heeft de volgende ochtend nooit haar afspraak gehaald."
Marianne zweeg.
"Wat gebeurde er met haar bewijs?"
Ze keek me recht aan.
"Dat is precies wat Willem achttien jaar lang probeerde te vinden."
Mijn stem trilde.
"En heeft hij het gevonden?"
Marianne knikte langzaam.
"Ja."
Ze haalde een kleine USB-stick uit haar tas.
"Dit vond Willem twee weken voor zijn dood."
Ik pakte hem aan.
"Wat staat erop?"
Marianne fluisterde:
"Een opname van Thomas."
Op dat moment hoorde ik buiten een auto stoppen.
Marianne keek geschrokken naar het raam.
"Is dat Thomas?"
Ik liep naar het gordijn.
Een zwarte auto stond voor het gebouw.
Maar Thomas stapte niet uit.
Een onbekende man wel.
Hij keek recht naar mijn appartement.
Toen pakte hij zijn telefoon.
En ik wist meteen:
iemand had ons gevolgd.






