DEEL 2 — DE MAN OP HET VLIEGVELD
Mijn glimlach verdween toen ik de foto op mijn telefoon zag.
Finn en ik stonden bij de vertrekhal, vlak voordat we door de paspoortcontrole waren gegaan. Ik hield zijn blauwe rugzak vast. Hij keek naar het grote bord met vertrektijden.
De foto was van dichtbij genomen.
Te dichtbij.
Onder het beeld stond:
Je denkt dat je veilig bent in Zwitserland. Mark is niet de enige die iets te verliezen heeft.
Ik keek onmiddellijk om me heen, hoewel het vliegtuig inmiddels duizenden meters boven de grond vloog.
“Wat is er, mama?” vroeg Finn.
“Niets,” loog ik. “Een bericht van het werk.”
Hij keek mij langer aan dan normaal. Finn was pas tien, maar hij merkte alles op. Misschien omdat hij jarenlang had geleerd de stemming van zijn vader te lezen voordat Mark boos werd.
Ik stuurde de foto door naar mijn advocaat.
Ken je dit nummer?
Mevrouw Jansen antwoordde bijna onmiddellijk.
Niet reageren. Zet je locatie uit. Bewaar het bericht. Ik neem contact op met de politie.
Ik controleerde Finns telefoon. Geen onbekende berichten. Geen gemiste oproepen.
Toch zette ik ook zijn toestel uit.
Een halfuur later kwam de stewardess naar onze stoelen.
“Mevrouw De Jong?”
Mijn maag trok samen.
“Ja?”
“De gezagvoerder heeft een bericht gekregen dat u na de landing wordt opgevangen door de luchthavenbeveiliging.”
Finn keek geschrokken.
“Hebben we iets verkeerd gedaan?”
“Nee,” zei ik snel.
De stewardess glimlachte geruststellend, maar ik zag dat ze nerveus was.
“Het gaat om uw veiligheid.”
Toen het vliegtuig in Zürich landde, werden de andere passagiers verzocht te blijven zitten. Twee beveiligers kwamen aan boord. Een vrouw met kort donker haar stelde zich voor als inspecteur Keller.
“U en uw zoon komen met ons mee.”
We werden via een aparte uitgang naar een kleine verhoorkamer gebracht. Op tafel stond water. Tegen de muur hing een camera.
Keller legde de foto van het vliegveld voor mij neer.
“Uw Nederlandse advocaat heeft contact met ons opgenomen. We hebben de camerabeelden bekeken.”
“Hebt u gezien wie deze foto maakte?”
Ze draaide haar laptop naar mij toe.
Op het scherm zag ik mezelf en Finn door de vertrekhal lopen. Een man in een grijze jas volgde ons op ongeveer twintig meter afstand.
Hij droeg een pet en keek voortdurend naar zijn telefoon.
In het volgende fragment stond hij bij een koffiebar. Toen hij zijn hoofd draaide, werd zijn gezicht zichtbaar.
Ik kende hem niet.
Maar Finn sprong overeind.
“Dat is de vriend van papa.”
Iedereen in de kamer werd stil.
“Welke vriend?” vroeg Keller.
Finn keek naar mij, alsof hij toestemming nodig had.
“Hij kwam soms thuis als jij boodschappen deed,” zei hij. “Papa zei dat ik boven moest blijven.”
Ik voelde hoe mijn vingers koud werden.
“Heb je zijn naam gehoord?”
Finn dacht na.
“Papa noemde hem meneer Vermeer.”
Inspecteur Keller typte de naam in. Enkele seconden later veranderde haar gezichtsuitdrukking.
“Daan Vermeer,” zei ze. “Voormalig financieel adviseur. Twee keer onderzocht wegens fraude, bedreiging en witwassen. Nooit veroordeeld.”
Ik dacht aan de lening op ons huis.
“Werkte hij met Mark?”
“Dat proberen we vast te stellen.”
Op dat moment ging Kellers telefoon. Ze luisterde zonder iets te zeggen.
Daarna keek ze mij ernstig aan.
“Uw echtgenoot is vanmiddag gearresteerd.”
Ik had verwacht opluchting te voelen.
In plaats daarvan voelde ik alleen angst.
“Waarvoor?”
“Vervalsing, hypotheekfraude en vermoedelijke verduistering. Maar tijdens de huiszoeking vonden de rechercheurs iets dat de zaak aanzienlijk groter maakt.”
Ze liet een foto zien van een metalen kist die onder de vloer van Marks kantoor was gevonden.
Binnenin lagen verschillende paspoorten, bankpassen en een notitieboek met namen en bedragen.
Bovenaan één pagina stond mijn naam.
EVA DE JONG — ZÜRICH — 250.000
“Wat betekent dat?” fluisterde ik.
“Dat weten we nog niet.”
Finn trok aan mijn mouw.
“Mama…”
Hij zag bleek.
“Wat is er?”
“De man op de foto gaf papa ooit een zwarte tas. Papa verstopte die in de garage.”
Ik vroeg Keller om papier. Finn tekende waar Mark de tas had verstopt: achter een losse houten plank onder een werkbank.
Keller stuurde de informatie direct naar Nederland.
Twintig minuten later kwam het antwoord.
De politie had de tas gevonden.
Er zat geen geld in.
Er zaten foto’s in.
Foto’s van mij die naar mijn werk ging. Van Finn bij school. Van mijn advocaat bij haar kantoor. En zelfs van het appartement in Zürich dat ik pas drie weken geleden had gehuurd.
Iemand kende mijn hele plan voordat ik vertrok.
“Alleen mijn advocaat en werkgever wisten van het appartement,” zei ik.
Inspecteur Keller keek naar de foto’s.
“Dan heeft iemand in uw directe omgeving informatie gelekt.”
Mijn telefoon trilde opnieuw.
Dit keer was het Mark.
Inspecteur Keller knikte dat ik mocht opnemen. Ze startte een opname.
“Eva,” zei Mark zacht.
Zijn stem klonk anders. Niet boos. Niet huilend.
Bang.
“Je moet naar me luisteren. Vermeer heeft mij erin geluisd.”
“Je hebt mijn handtekening vervalst.”
“Ik weet het. Ik heb vreselijke dingen gedaan. Maar die lening was niet voor Sophie.”
“Voor wie dan?”
Hij ademde zwaar.
“Vermeer. Ik was hem geld schuldig.”
“Waarom?”
Er klonk lawaai op de achtergrond. Iemand beval hem de telefoon terug te geven.
“Mark, waarom was je hem geld schuldig?”
“Ik kan het niet uitleggen. Niet via de telefoon.”
“Waarom staat mijn naam naast tweehonderdvijftigduizend euro?”
Mark begon sneller te praten.
“Luister goed. Ga niet naar het appartement. Ga ook niet naar je nieuwe kantoor. Iemand in Zwitserland wacht op je.”
“Wie?”
“Dezelfde persoon die mij Sophie heeft leren kennen.”
Mijn hart sloeg over.
“Wat bedoel je?”
Mark fluisterde zijn volgende woorden.
“Sophie was nooit alleen mijn minnares.”
De verbinding werd verbroken.
Inspecteur Keller keek mij aan.
“Wat denkt u dat hij bedoelde?”
Voordat ik kon antwoorden, klonk er buiten de verhoorkamer geschreeuw.
Een beveiliger opende de deur.
“Keller, we hebben een probleem. De chauffeur die mevrouw De Jong zou ophalen, is verdwenen.”
“Welke chauffeur?”
“Die van haar nieuwe werkgever.”
Hij hield een telefoon omhoog.
“Zijn auto staat buiten. De motor draait nog. Er ligt bloed op de bestuurdersstoel.”
Finn kneep hard in mijn hand.
Toen verscheen op mijn telefoon een derde bericht.
Welkom in Zürich, Eva.
Je hebt iets meegenomen dat van ons is.
Daaronder stond een foto van Finns blauwe rugzak.






