De stilte die volgde op het verbreken van de videoverbinding was beklemmend. Het enige geluid in het ondergrondse archief van het Rotterdamse stadhuis was het mechanische gezoem van de ventilatie en Brams zware, gejaagde ademhaling. Hij staarde naar het zwarte scherm van zijn telefoon, zijn knokkels wit om het toestel geklemd.
"Nee... nee, nee, nee!" schreeuwde Bram ineens uit. Hij sloeg met zijn vuist tegen de stalen kluisdeur. Het harde geluid galmde door de lege gangen van het archief. "Ze heeft het geprobeerd... en nu heeft hij ze allebei!"
"Bram, kalmeer," zei ik, hoewel mijn eigen hart als een razende tekeerging. Het beeld van mijn achttienjarige kleindochter Sophia, vastgebonden en doodsbang op die stoel, brandde op mijn netvlies. En Elena... bloedend op de grond. Marcus was een meedogenloos monster. Hij kende geen familiebanden, geen genade.
"Hoe kan ik kalmeren, mam?!" riep Bram wanhopig. "Hij heeft dertig minuten gegeven! Breda is minstens veertig minuten rijden vanaf hier! We redden het nooit! En als we daar aankomen met dit dossier, vermoordt hij ons alsnog. Hij laat nooit getuigen leven!"
Ik keek naar de leren map in Brams handen. Daarin lag de sleutel tot Marcus' ondergang, maar op dit moment voelde het als een waardeloos stuk papier als het het leven van Sophia en Elena niet kon redden.
"Denk na, Bram," zei ik streng, terwijl ik hem bij zijn schouders pakte en hem dwong me aan te kijken. "Jij bent een slimme man. Jij hebt dit maandenlang onderzocht. Marcus denkt dat hij de controle heeft omdat hij hen vasthoudt. Maar hij weet niet dat jij precies weet wáár hij zit."
Bram fronste zijn wenkbrauwen, terwijl hij zijn tranen wegveegde. "Wat bedoel je?"
"De video," zei ik snel. "Toen Marcus praatte, zag ik op de achtergrond een groot, groen logo op een stalen container. Er stond VanderMeer Logistiek op, met een specifiek nummer: Loods 12. Dat is niet de oude haven van Breda... dat is het industrieterrein bij Moerdijk, vlak langs de snelweg!"
Bram staarde me met open mond aan. "Moerdijk? Dat is maar twintig minuten van hier! Dat ligt direct aan de A16!"
"Precies," zei ik met een zekere felheid in mijn stem. "Marcus gaf ons met opzet de naam 'haven van Breda' om ons tijd te laten verliezen als we verkeerd zouden rijden. Hij zit bij Moerdijk. Maar we gaan daar niet alleen naartoe."
"Wat ga je doen?" vroeg Bram.
Ik haalde mijn eigen oude mobiele telefoon tevoorschijn. "Elena en jij dachten dat ik een oude vrouw was die niets van de wereld snapt. Maar Jan heeft me voor zijn dood iets nagelaten. Een contactpersoon bij de Nationale Politie."
Bram keek me stomverbaasd aan. "Een contactpersoon? Pa?"
"Jan was geen gewone man, Bram," zei ik zacht, terwijl ik door mijn korte contactenlijst bladerde. "Toen Jan mij in 1984 opving en redde uit de handen van Julian en Marcus, deed hij dat niet alleen. Jan was een undercoverrechercheur. Dat was de reden waarom hij mij een nieuwe identiteit kon geven. Hij heeft zijn hele carrière gebruikt om mij te beschermen tegen de bende van Vance. En er is één man die Jan vertrouwde met zijn leven."
Ik selecteerde het nummer van Inspecteur De Jong en drukte op bellen. Het signaal ging over. Na vier keer werd er opgenomen.
"De Jong," klonk een slaperige, maar scherpe stem aan de andere kant van de lijn.
"Inspecteur De Jong," zei ik met een ijzeren stem. "Met Ria Vandervaart. De vrouw van Jan van Beek."
Er viel een korte stilte aan de lijn. Ik hoorde het geritsel van kleding aan de andere kant, alsof de man rechtop in zijn bed ging zitten. "Ria? Mijn god... Jan heeft me voor zijn overlijden verteld dat als u ooit zou bellen, er sprake zou zijn van uiterste nood. Wat is er aan de hand?"
"Marcus Vance heeft mijn schoondochter en kleindochter gijzeld," zei ik snel en zakelijk. "Ze worden vastgehouden in Loods 12 van VanderMeer Logistiek op het industrieterrein Moerdijk. Ik heb het originele dossier uit 1984 in mijn handen, inclusief de bewijzen van de moord op wethouder Schipper en de bekentenis van Vance."
Inspecteur De Jong slaakte een diepe zucht. "Het dossier dat we dertig jaar lang hebben gezocht... Ria, luister naar mij. Blijf waar u bent. Ik stuur de Dienst Speciale Interventies (DSI) direct naar Moerdijk."
"Nee," zei ik resoluut. "Als Marcus sirenes hoort of ziet dat er een arrestatieteam aan komt rijden, schiet hij ze dood. Ik ga zelf naar binnen."
"Bent u gek geworden?!" riep De Jong door de telefoon. "U bent tachtig jaar oud!"
"En ik ben de enige die hij verwacht," antwoordde ik ijskoud. "Ik ga naar binnen met een nep-dossier om hem af te leiden. Jij zorgt dat jouw arrestatieteam zich om de loods positioneert en binnenvalt zodra ik het teken geef. Je hebt vijftien minuten."
Zonder op zijn antwoord te wachten, verbrak ik de verbinding.
Bram keek me aan alsof hij een geest zag. "Mam... ik herken je nauwelijks terug. Wie ben jij eigenlijk?"
"Ik ben een moeder die haar gezin verdedigt," zei ik eenvoudig. "Maak foto's met je telefoon van elke pagina van dit dossier. Upload ze direct naar een beveiligde cloudopslag en stuur de link naar Inspecteur De Jong. Als ons iets overkomt, is de waarheid sowieso da buiten."
Bram knikte snel en begon als een waanzinnige de documenten te fotograferen. Binnen vijf minuten was de klus geklaard. We stopten de originele papieren in een neutrale envelop en renden terug naar de auto.
De rit naar Moerdijk was een race tegen de klok. De regen kwam nu met bakken uit de hemel vallen. De ruitenwissers sloegen in een koortsachtig ritme heen en weer. Bram reed met gevaar voor eigen leven meer dan honderdtachtig kilometer per uur over de kletsnatte snelweg.
Om tien voor een 's nachts sloegen we af bij het industrieterrein van Moerdijk. Het terrein was donker, grimmig en verlaten. Alleen de hoge lichtmasten wierpen een schril, geel licht over de eindeloze rij opslagloodsen en containers.
We vonden Loods 12. De grote stalen roldeur stond op een Kier. Er brandde licht binnen.
Bram parkeerde de auto achter een stapel houten pallets op een paar honderd meter afstand. "Ik ga mee naar binnen," zei hij met een vastberaden blik.
"Nee, Bram," zei ik, terwijl ik hem bij zijn arm pakte. "Als jij mee naar binnen gaat, ziet Marcus jou en schiet hij meteen. Jij blijft hier op de uitkijk. Als de politie arriveert, leid jij ze via de zijuitgang naar binnen."
"Mam, ik kan je niet alleen laten gaan!" snikte hij. "Als hij..."
"Hij wil mij, Bram," zei ik zacht. Ik gaf hem een snelle kus op zijn voorhoofd, zoals ik vroeger deed als hij naar school ging. "Vertrouw op mij. Ik heb dertig jaar lang overleefd. Ik overleef vanavond ook."
Ik pakte de dikke envelop, stapte uit de auto en liep met opgeheven hoofd door de striemende regen naar de roldeur van Loods 12. Mijn oude knieën deden pijn, mijn longen brandden van de koude lucht, maar mijn geest was helderder dan ooit.
Ik duwde de stalen deur verder open en stapte de loods binnen.
De ruimte was reusachtig. Stapels zeecontainers vormden een doolhof van staal. In het midden van de hal, onder één enkele felle lamp, zat Sophia vastgebonden op een stoel. Haar mond was afgeplakt met tape, haar ogen wijd van angst. Naast haar lag Elena op de betonnen vloer, bewusteloos maar ademend.
En daar, leunend tegen een stalen container met zijn armen over elkaar geslagen, stond Marcus Vance.
"Kijk eens aan," zei Marcus met een valse glimlach, terwijl hij op horloge keek. "Precies op tijd. Maar waar is mijn lieve neefje Bram? Is hij te laf om zijn eigen dochter te redden?"
"Bram is de politie aan het bellen," loog ik ijskoud, terwijl ik strak op hem afliep. Ik hield de envelope hoog in de lucht. "Ik heb wat je wilt, Marcus. Het complete dossier uit 1984. Inruil voor het leven van mijn gezin."
Marcus ontblootte zijn tanden in een gevaarlijke grinnik. Hij haalde langzaam zijn pistool tevoorschijn en richtte het recht op mijn borst.
"Je bent te laat met dreigen, oude vrouw," zei hij zacht. "Aangezien jij de moeite hebt genomen om het dossier op te halen, heb ik jouw zoon en politie niet meer nodig. En jou ook niet."
Hij zette zijn vinger op de trekker.






