De maanstralen sneden als zilveren messen door de duisternis van de studeerkamer. Victor Vance stapte langzaam verder de ruimte binnen. Zijn stappen waren zo licht dat hij nauwelijks geluid maakte op het houten parket. De geluidsdemper van zijn pistool glinsterde koud in het schaarse licht.
Ik zat roerloos op de lederen stoel achter het bureau. De verlammende schrik van de eerste seconde maakte plaats voor een vreemde, bijna berustende kalmte. Ik was tachtig jaar oud. Ik had mijn hele leven gerend voor het geheim van mijn familie. Nu stond de ultieme verpersoonlijking van dat geheim recht voor me.
"Victor," zei ik met een stem die verrassend vast klonk in de stille kamer.
Victor pauzeerde even. Een flauwe, kille glimlach verscheen op zijn gelaat, waardoor het litteken over zijn wenkbrauw wit oplichtte. "Je kent mijn naam. Onze dierbare inspecteur De Jong heeft zijn werk dus goed gedaan."
"Waar zijn de bewakers?" vroeg ik, hoewel ik het antwoord al wist.
"Slapen," antwoordde Victor kortaf. "En jouw lieve inspecteur De Jong? Die ligt beneden in de hal met een kogel in zijn schouder. Hij was erg beschermend over je, Ria. Een trouwe hond. Net als die echtgenoot van je, Jan."
Mijn vuisten balden zich op mijn schoot. "Laat mijn gezin hier buiten, Victor. Bram, Elena en Sophia weten niets van de erfenis. Zij zijn onschuldig."
Victor zette een stap dichterbij en leunde met zijn vrije hand op de rand van het bureau. Hij keek naar het vergeelde testament dat nog steeds op de houten plaat lag.
"Onschuldig?" lachte hij zacht. Een droog, vreugdeloos geluid. "Niemand met de naam Vance is onschuldig, Ria. Ook jij niet. Onze vader, Julian, was een fantast. Hij dacht dat hij een soort filantroop kon spelen door het geld in Zwitserland aan jou toe te wijzen. Hij dacht dat een gewone, burgerlijke vrouw uit Tilburg de erfenis van een internationaal misdaadsyndicaat kon beheren."
"Ik wil het geld niet," zei ik koud. "Ik heb het testament gelezen. Mijn vader wou dat het geld gebruikt werd om de slachtoffers van Marcus te compenseren. Jij wilt het alleen maar gebruiken om je eigen criminele imperium uit te bouwen."
"Natuurlijk wil ik dat!" zei Victor met een plotselinge felheid in zijn stem. Hij sloeg met zijn vlakke hand op het bureau, waardoor het papier opwapperde. "Ik heb dertig jaar lang in de schaduw moeten leven! Terwijl jij een rustig, fijn leventje leidde in Nederland met een liefhebbende echtgenoot en een geadopteerde zoon, werd ik door onze vader getraind in de harde onderwereld van Marseille! Ik heb gevochten voor mijn leven, Ria! En nu komt een oude vrouw opeens opeisen wat mij toebehoort?!"
"Ik opeisen?" herhaalde ik. "Ik heb hier nooit om gevraagd! Ik wist niet eens dat jij bestond tot vanmorgen!"
Victor keek me strak aan. De haat in zijn ogen was zo diep dat het me fysiek pijn deed. Maar onder die haat zag ik iets anders: een wanhopig kind dat dertig jaar lang had gezocht naar de goedkeuring van een vader die nooit van hem had gehouden.
"Julian hield niet van mij," zei Victor met een trillende stem. "Hij zag in mij alleen maar een gereedschap. Maar van jou... van jou hield hij wel. Hij heeft zijn hele leven opgeofferd om jouw sporen uit te wissen. En weet je waarom?"
Ik antwoordde niet.
"Omdat jij op onze moeder leek," vervolgde Victor. "De enige vrouw van wie Julian ooit echt heeft gehouden. En daarom moet jij sterven, Ria. Zodra jij dood bent, en dit testament verbrand is, ben ik de enige rechtmatige erfgenaam. De Zwitserse banken zullen het geld aan mij uitkeren."
Hij tilde het pistool op en richtte de donkere loop van de geluidsdemper recht op mijn voorhoofd.
"Heb je nog laatste woorden, zusje?" vroeg hij.
Ik keek hem recht in de ogen. Ik dacht aan Jan. Ik dacht aan Bram, aan Elena, aan Sophia. Ik dacht aan de liefde die mijn leven had gevuld, een liefde die Victor nooit had gekend.
"Het spijt me voor je, Victor," zei ik zacht. "Het spijt me dat onze vader jou een hart van steen heeft gegeven."
Victor’s vinger spande zich om de trekker.
Op dat exacte moment weerklonk er een harde knal achter hem. De deur van de studeerkamer vloog met geweld open.
Het was niet de politie. Het was niet Bram.
Het was Elena.
Elena stond in de deuropening. In haar handen hield ze het zware, gietijzeren haardblok uit de gang. Met een schreeuw van woede stormde ze op Victor af en beukte het massieve stuk ijzer met volle kracht tegen zijn achterhoofd.
KLAP!
Victor slaakte een doffe kreet. Het pistool ging af — een gedempte pfft — en de kogel boorde zich diep in het houten bureau vlak naast mijn hand. Victor wankelde naar voren, zijn ogen weggedraaid, en viel zwaar over het bureau heen. Het pistool glipte uit zijn vingers en rolde over de vloer.
Elena liet het haardblok vallen en hijgde zwaar. Haar gezicht was spierwit van de adrenaline.
"Ria!" schreeuwde ze, terwijl ze om het bureau heen rende en me in haar armen sloot. "Ben je in orde?!"
"Elena..." stotterde ik, verbluft door haar plotselinge ingrijpen. "Hoe... hoe ben je hier gekomen?"
"Bram en ik hoorden de schoten beneden," zei Elena snel. "Bram is beneden bij De Jong en de politie-eenheid die net arriveert! Ik zag Victor de trap op rennen en ben hem achternagegaan!"
Victor op de grond begon te kreunen. Hij klauwde met zijn vingers over de vloerbedekking, op zoek naar zijn pistool.
Ik bedacht me geen seconde. Met de kracht die ik nog in mijn oude lichaam had, schopte ik het pistool onder het bureau vandaan, ver buiten zijn bereik.
Op dat moment stormden vier zwaarbewapende politiemensen de kamer binnen, aangevoerd door een hevig bloedende, maar lopende Inspecteur De Jong.
"NIET BEWEGEN!" schreeuwden de agenten, terwijl ze Victor op de grond pinden en hem in de boeien sloegen.
Inspecteur De Jong leunde tegen de deurpost, zijn hand kramppachtig op zijn gewonde schouder gedrukt. Hij keek naar mij en Elena, en daarna naar de geboeide Victor op de vloer.
"Het lek..." pufte De Jong met moeite. "Het lek was niet bij de politie, Ria. Het lek was de advocaat in Amsterdam. Hij had Victor gewaarschuwd voordat hij werd vermoord."
Bram stormde de kamer binnen, gevolgd door Sophia. Toen hij mij ongedeerd op de stoel zag zitten, viel hij op zijn knieën voor me neer en begroef zijn gezicht in mijn schoot.
"Mam... mijn god, mam..." snikte hij.
I hield Brams hoofd vast en keek naar Victor, die door twee agenten overeind werd getild. Zijn voorhoofd bloedde hevig van de klap met het haardblok, maar zijn ogen spuwden nog steeds venijn.
"Dit is nog niet voorbij, Ria!" schreeuwde Victor, terwijl hij naar buiten werd gesleept. "De familie Vance verdwijnt nooit! Onze erfenis zal je blijven achtervolgen tot je in het graf ligt!"
Zijn stem verstierf in de lange gang van het landhuis.
Ik bleef achter in de studeerkamer, omringd door mijn gezin. Op het bureau lag het doorboorde testament van Julian. De kogel van Victor had precies door de naam Julian Vance geschoten, alsof het verleden zelf eindelijk was vernietigd.
Maar terwijl de politie het pand veiligstelde en de gewonden verzorgde, keek Inspecteur De Jong mij met een ernstige blik aan.
"Ria," zei hij zacht. "Victor is uitgeschakeld. Marcus zit vast. Maar er is één ding dat we over het hoofd hebben gezien."
"Wat dan?" vroeg ik vermoeid.
De Jong wees naar de onderkant van het testament. "Julian heeft het geld in Zwitserland niet op jouw naam gezet onder de naam Ria Vandervaart... maar onder een geheime codenaam. Een codenaam die gekoppeld is aan een fysieke kluis in Zürich. En om die kluis te openen, is er een tweede sleutel nodig. Een sleutel die driehonderd kilometer hiervandaan verborgen ligt... in het graf van jouw echtgenoot Jan."






