De koplampen van de auto sneden door een dichte muur van regen en mist terwijl ik over de slingerende weg naar het bos reed. De ruitenwissers maakten een monotoon, krijsend geluid dat synchroon leek te lopen met de hartslag in mijn borstkas. Mijn gedachten waren een warboel van verdriet en haat. Hoe kon ik zo blind zijn geweest voor de demonen die zich achter een glimlach schuilhielden? Toen ik bij de rand van het bos aankwam, zag ik het onmiddellijk: een andere auto, een gehuurde sedan, stond half in de berm geparkeerd tussen de dichte dennenbomen. Claire had dus toch een plan; ze had een voertuig geregeld om te vluchten. De motor was uitgeschakeld, maar de ruiten waren beslagen van binnen. Ze was er nog, of ze was net het bos ingevlucht toen ze mijn koplampen had zien naderen. Ik zette de motor uit, trok de handrem aan en stapte uit in de gure regen. De kou sneed door mijn kleren heen, maar ik voelde het amper. Met stevige passen liep ik naar de geparkeerde sedan en trok aan de portier; het was op slot. Ik gluurde door het beslagen raampje naar binnen, maar het interieur was leeg. Ze zat er niet meer in. Ze was het donkere bos ingegaan, op de vlucht voor de spoken uit haar eigen verleden en voor de wraak van een bedrogen man. "Claire!" riep ik de nacht in. Mijn stem werd onmiddellijk opgeslokt door het geraas van de wind door de boomtoppen. "Claire, kom te voorschijn! Je kunt je niet verstoppen!" Geen antwoord, alleen het gekraak van takken en het geritsel van natte naalden onder de wind. Ik trok de zaklamp van mijn sleutelhanger, klikte hem aan en baande me een weg tussen de dichte dennenbomen. Het bos was aardedonker en vol vallen; boomwortels staken als venijnige vingers uit de grond om me te laten struikelen. Maar ik gaf niet op. Het wiegelied van Clara galmde nog steeds na in mijn hoofd als een ritmische marsorde: zoek de waarheid, vind de rust. Na een minuut of tien lopen door het dichte kreupelhout kwam ik bij de oude, vervallen uitkijkpost aan de rand van de klif. Het was een houten constructie die al jaren niet meer werd gebruikt, met een prachtig uitzicht over het diepe ravijn dat zich beneden uitstrekte. En daar, vlak bij de rand van de houten reling, stond een kleine, bibberende gedaante. Het was Claire. Ze hield haar armen om zichzelf geslagen tegen de kou, haar haar nat en sliertig om haar gezicht geplakt. Toen ze het licht van mijn zaklamp op zich voel schijnen, draaide ze zich om. Haar gezicht was vertrokken van angst en wanhoop.

News Story





