De nacht hield ons in een ijzeren greep, maar de slaap was verder weg dan ooit. Nadat Sophie zich had teruggetrokken in de logeerkamer, bleef ik achter in de werkkamer met enkel het zwakke licht van de bureaulamp. Mijn gedachten malen als radertjes in een vastgelopen machine. Clara... het ziekenhuis... Claire. Het klopte van geen kant. Waarom had Claire haar bezoek aan de kliniek verzwegen? Ze had altijd volgehouden dat ze Clara nauwelijks kende voordat het ongeluk gebeurde, dat ze elkaar slechts via via hadden ontmoet op een benefietdala. Maar Sophie's woorden brachten daar een vernietigende verandering in. Met trillende vingers opende ik de onderste lade van mijn bureau, waar ik een oude doos met administratie en post van Clara bewaarde. Tussen de ziekenhuisrekeningen en verzekeringspapieren zocht ik naar iets wat licht kon werpen op die laatste weken. Toen viel mijn oog op een enveloppe die ik niet eerder had opgemerkt, verstopt achter een stapel bankafschriften. Het was een officieel poststuk van het St. Jude Ziekenhuis, gedateerd op de dag van Clara's opname. Ik scheurde de enveloppe open en haalde de papieren tevoorschijn. Mijn ogen vlogen over de regels. Er stond een overzicht van bezoekers in de kantlijn, met pen genoteerd door een verpleegkundige. Naast familieleden stond er een bekende naam genoteerd: Claire Visser. Niet een week voor het ongeluk, maar de avond zelf. En er stond nog iets bij: een handgeschreven notitie van Clara's behandelend arts over een onverwachts conflict op de gang, waarbij een tweede persoon betrokken was geweest. De rillingen liepen over mijn rug. Mijn ademhaling werd snel en oppervlakkig. Wat was er die avond gebeurd achter de gesloten deuren van de ziekenhuiskamer? Was het ongeluk, dat zich later die nacht op de snelweg afspeelde, wel echt een ongeluk? De gedachte sneed als een scherp mes door mijn hart. Clara was altijd een uitstekende chauffeur geweest, en ze reed bijna nooit 's avonds laat. Waarom was ze in vredesnaam op de snelweg beland op dat tijdstip? Plotseling hoorde ik een zacht kraken op de overloop boven. Geen geluid van spelende kinderen, geen wind die door een kier blies, maar het zorgvuldige, gedempte geluid van voetstappen op het oude parket. Mijn hart sloeg een slag over. Claire was terug. Ze was naar de auto gegaan op mijn bevel, maar ze was blijkbaar via de achterdeur weer binnengekomen, of ze had al die tijd in de schaduw van de tuin gewacht. Ik stond langzaam op, de papieren nog in mijn hand geklemd, en liep op kousen naar de deur van de werkkamer. De gang was pikkedonker. Het enige licht kwam door het raam van de trap waar de maan fel doorheen schenkte. Daar, silhouetachtig afgetekend tegen het maanlicht, stond een gedaante. Het was Claire. En in haar hand hield ze iets vast dat glansde in het donker – iets lang en scherp, een voorwerp dat absoluut niet thuis hoorde in de handen van een liefhebbende verloofde. De nachtmerrie was geen herinnering meer; het was hier, en het bewoog zich recht naar mij toe.

News Story





