DEEL 12 — DE WAARHEID OVER ANTON
De man richtte zijn pistool op Thomas.
“De rode map.”
Niemand bewoog.
Ik keek naar Thomas.
Hij stond naast Sophie.
Marianne hield haar hand stevig vast.
Mijn vader stond iets verderop, bloedend aan zijn schouder.
David keek naar mij.
Zijn ogen zeiden maar één ding:
Niet doen.
De man zette een stap naar voren.
“De map, Willem.”
Ik pakte hem langzaam.
Maar voordat ik hem kon overhandigen, zei Lucas:
“Je weet niet eens wat erin staat.”
De man keek naar hem.
“Jij hoort hier niet te zijn.”
Lucas glimlachte.
“Dat zeiden ze dertig jaar geleden ook.”
De man richtte zijn wapen op Lucas.
“Je had moeten blijven verdwijnen.”
Lucas antwoordde:
“Dat heb ik lang genoeg gedaan.”
Plotseling klonk er een schot.
Maar niet uit het wapen van de man.
Mijn vader had geschoten.
De kogel raakte de muur.
Iedereen dook weg.
David trok Marianne en Sophie naar de keuken.
“NU!”
Ik greep Thomas vast.
“Ren!”
We renden naar de kelder.
Achter ons klonken meerdere schoten.
De man schreeuwde:
“PAK ZE!”
Ik sloot de kelderdeur.
David schoof een zware kast ervoor.
“Ze komen erdoor.”
Mijn vader zakte tegen de muur.
Bloed liep langs zijn arm.
“Laat mij hier.”
Ik knielde naast hem.
“Geen sprake van.”
Hij keek mij aan.
“Willem, luister.”
“Wat?”
“Je moet de kluis meenemen.”
Ik keek naar de kluis.
“Die is veel te zwaar.”
“Niet de kluis.”
Hij wees naar de rode map.
“De sleutel.”
Ik voelde in mijn zak.
“Deze?”
Hij knikte.
“Er is nog een tweede kluis.”
“Waar?”
“Onder het oude huis.”
Mijn hart sloeg sneller.
“Het huis dat verkocht is?”
“Ja.”
“Waarom?”
“Omdat niemand weet dat er onder de vloer een ruimte zit.”
David keek naar hem.
“Anton heeft die ruimte gebouwd.”
Ik keek naar mijn vader.
“Waarom?”
Hij antwoordde:
“Om iets te verbergen dat groter is dan het geld.”
Ik voelde een rilling.
“Wat dan?”
Mijn vader keek naar Thomas.
“De waarheid over zijn geboorte.”
Thomas verstijfde.
“Mijn geboorte?”
Marianne keek naar hem.
“Thomas…”
Hij draaide zich naar haar.
“Wat verberg je nog voor me?”
Ze begon te huilen.
“Je vader is niet Willem.”
“Dat weet ik inmiddels.”
“Maar Erik is ook niet je biologische vader.”
De kelder werd stil.
Thomas keek haar aan.
“Wat?”
Sophie pakte zijn hand.
“Wie is dan mijn man?”
Marianne antwoordde:
“Anton.”
Ik voelde de wereld om mij heen verdwijnen.
“Mijn biologische vader?”
Ze knikte.
“Ja.”
Thomas keek naar mij.
“Dus…”
Hij kon zijn zin niet afmaken.
Ik deed het voor hem.
“Anton was jouw vader.”
Lucas keek geschokt.
“Dat betekent…”
David fluisterde:
“Dat Thomas de kleinzoon is van Anton.”
Marianne knikte.
“En daarom heeft Erik hem zijn hele leven gezocht.”
Thomas keek naar Sophie.
“Maar jij…”
Sophie begon te huilen.
“Wij zijn niet bloedverwant.”
Marianne schudde haar hoofd.
“Nee.”
Ze keek naar mij.
“Maar er is nog iets.”
Ik had bijna geen kracht meer om te vragen:
“Wat?”
“Anton had een reden om Thomas te verbergen.”
“Welke?”
“Hij wist dat iemand binnen het bedrijf hem wilde vermoorden.”
“Wie?”
Marianne keek naar mijn vader.
Mijn vader sloot zijn ogen.
“Mijn naam staat in het dossier.”
Ik keek hem aan.
“Jij hebt Anton vermoord.”
Hij knikte.
“Ja.”
“Waarom?”
“Op bevel.”
“Van wie?”
Hij antwoordde:
“Van Erik.”
Marianne schudde haar hoofd.
“Nee.”
Iedereen keek naar haar.
“Erik gaf het bevel niet.”
Mijn vader keek haar geschrokken aan.
Marianne zei:
“Er was iemand boven hem.”
David fluisterde:
“Wie?”
Marianne keek naar de kelderdeur.
“De man die nu boven staat.”
Ik begreep het.
“De rechterhand van Anton.”
Ze knikte.
“Hij heeft Erik gebruikt.”
“Waarvoor?”
“Om alle sporen naar hem te laten wijzen.”
Lucas keek naar haar.
“En wie was hij?”
Marianne antwoordde:
“Zijn naam was Victor.”
Mijn vader keek naar de grond.
“Victor heeft Anton vermoord.”
“Maar jij zei dat jij het had gedaan.”
“Omdat ik Victor hielp.”
Ik voelde mijn woede stijgen.
“Waarom?”
“Omdat Victor mijn leven in handen had.”
“Wat had hij?”
Mijn vader keek naar mij.
“Jou.”
Ik zweeg.
“Hij dreigde jou te vermoorden als ik niet deed wat hij zei.”
Boven ons klonk een harde klap.
De kast voor de deur verschoof.
David keek naar ons.
“Geen tijd meer.”
Marianne pakte mijn arm.
“Willem, er is een uitgang.”
“Waar?”
“Onder de oude wijnkelder.”
We liepen naar de achterwand.
Marianne drukte haar hand tegen een stenen muur.
Een verborgen deur ging open.
Een donkere tunnel verscheen.
Thomas keek erin.
“Waar komt die uit?”
“Bij het oude huis.”
Ik keek naar mijn vader.
“Kom mee.”
Hij schudde zijn hoofd.
“Ga.”
“Pap…”
“Als ik mee ga, zullen ze jullie volgen.”
Ik greep zijn hand.
“Je hebt me al één keer verlaten.”
Hij keek mij aan.
“Deze keer verlaat ik je niet.”
Toen klonk een stem achter ons.
“Wat ontroerend.”
Iedereen draaide zich om.
De kelderdeur was open.
Victor stond daar.
Zijn pistool gericht op mijn vader.
Erik stond achter hem.
En naast Erik stond iemand die ik nooit had verwacht.
Sophie keek naar de persoon.
Haar gezicht werd wit.
“Mijn adoptievader…”
De man glimlachte.
“Dag, Sophie.”
Ik keek naar Marianne.
Zij fluisterde:
“Hij heeft haar al die jaren gezocht.”
Thomas trok Sophie naar zich toe.
Victor richtte zijn wapen op mij.
“Geef mij de rode map.”
Ik hield hem stevig vast.
“Nee.”
Hij glimlachte.
“Dan sterft iemand.”
Hij richtte zijn pistool op Thomas.
Sophie schreeuwde:
“NEE!”
Ik stapte voor mijn zoon.
“Neem mij.”
Victor keek verbaasd.
“Wat?”
“Laat hen gaan.”
Mijn vader fluisterde:
“Willem, doe het niet.”
Ik keek Victor recht aan.
“Je wilt de waarheid?”
Ik hield de rode map omhoog.
“Dan krijg je hem.”
Victor stak zijn hand uit.
Maar op dat moment hoorde ik boven een sirene.
Victor keek naar Erik.
Erik keek naar Victor.
En voor het eerst zag ik paniek in hun ogen.
David glimlachte.
“Ik heb ze gebeld.”
Victor vloekte.
“Jij!”
Boven klonken zware voetstappen.
De politie was binnen.
Victor draaide zich om.
Maar voordat hij kon vluchten, sloeg Lucas hem tegen de grond.
Het pistool gleed over de vloer.
Erik probeerde weg te rennen.
Sophie greep zijn arm.
“Je gaat nergens heen.”
Erik keek haar aan.
“Dochter…”
Sophie schudde haar hoofd.
“Noem me nooit meer zo.”
De politie stormde de kelder binnen.
Victor werd geboeid.
Erik ook.
Mijn vader bleef tegen de muur zitten.
Hij keek naar mij.
“Het is voorbij.”
Ik keek naar de rode map.
“Nee.”
Ik opende hem.
Tussen de documenten zat een klein zwart boekje.
Op de eerste pagina stond één naam.
ANTON DE VRIES.
Daaronder stonden tientallen betalingen.
Namen.
Data.
Bedragen.
En helemaal onderaan één laatste naam.
Ik voelde mijn hart stoppen.
Want die naam kende ik.
Het was de naam van de man die al die jaren naast mij had gestaan.
David.
Ik keek langzaam naar hem.
“David…”
Hij verstijfde.
“Willem, luister naar me.”
Ik hield het boekje omhoog.
“Waarom staat jouw naam hierin?”
Hij zei niets.
Toen keek mijn vader naar hem.
En fluisterde:
“Omdat David degene was die Anton die nacht naar de val heeft gelokt.”
De kamer werd stil.
David keek mij aan.
“Ik kan het uitleggen.”
Ik deed een stap achteruit.
“Dan heb je nog één kans.”
David slikte.
“Anton was niet het enige slachtoffer.”
Hij keek naar Thomas.
“Zijn moeder leeft ook nog.”
Marianne verstijfde.
“Wat?”
David antwoordde:
“Ze zit al dertig jaar gevangen.”






