Een noodlottige nacht in de Oude Stad en het geheim achter het gesloten raam De stad Utrecht hulde zich in de laatste maanden van het jaar steevast in een zilverachtige, grauwe gloed en motregen die tegen de ruiten sloeg
News Story

Een noodlottige nacht in de Oude Stad en het geheim achter het gesloten raam De stad Utrecht hulde zich in de laatste maanden van het jaar steevast in een zilverachtige, grauwe gloed en motregen die tegen de ruiten sloeg

0 weergaven

Deel 3: Het Dubbele Leven van Ingenieur Van der Velde

Arthur staarde met stomheid geslagen naar het logboek. Twintig jaar geleden was hij werkzaam bij een vooraanstaand technologisch onderzoeksbureau in Rotterdam, voordat hij zich na een zenuwinzinking terugtrok in de rustige straten van Utrecht. Maar de herinneringen aan die periode waren vaag, alsof een deel van zijn geheugen was uitgewist door een trauma of een zware griep waar hij destijds van herstelde.

Hij nam het logboek mee naar boven, ging aan de eettafel zitten en sloeg het open onder het felle licht van de bureaulamp. De pagina's stonden vol met complexe technische schema's, wiskundige formules en handgeschreven notities over een geavanceerd versleutelingssysteem voor satellietcommunicatie. Maar halverwege het schrift veranderde de toon abrupt.

De nette technische notities maakten plaats voor gehaaste, angstige krabbels: “Ze weten wat we hebben ontdekt. Ze zullen niet rusten voordat het project is vernietigd. Als ik val, zorg dan dat de waarheid verborgen blijft onder huisnummer 42. Laat niemand de sleutel vinden.” Arthur wreef over zijn slapen terwijl een hevige hoofdpijn opsteeg. Wie had dit geschreven?

Was het zijn eigen handchrift in een vlaag van dissociatie, of had iemand anders dit kistje in zijn kruipruimte geplaatst? En hoe hing dit samen met Clara? Plotseling klonk er een zacht geritsel bij de voordeur. Het was geen klop. Het was het geluid van metaal dat zachtjes tegen metaal schuurde. Iemand probeerde de sloten te openen met een loper. Arthur's hart sloeg op hol.

Hij blies de lamp uit, kroop geruisloos weg achter de muur van de gang en hield zijn adem in. De deurklink bewoog langzaam naar beneden. Het metaal kraakte. De deur werd op een kier geduwd, en een donkere gestalte stapte de gang in, zoekend naar iets in het duister.

De gestalte in de hal bewoog zich met een angstaanjagende vaardigheid en stilte. Arthur, wiens rug tegen de muur van de keuken drukte, kon door de duisternis heen alleen een lang silhouet onderscheiden dat gehuld was in een zware regenjas. De indringer liep doelgericht richting de woonkamer, alsof hij precies wist waar het logboek moest liggen. De minuten leken uren te duren.

Arthur wist dat hij niet kon winnen in een fysiek gevecht; hij was vijftigplus en fysiek verzwakt door jaren van een zittend bestaan. Maar zijn technische vernnuft liet hem niet in de steek. Op de keukentafel lag een zware koperen kandelaar en vlakbij de deur stond de schakelaar van de oude halogeenlamp in de tuin, die was aangesloten op een zelfgebouwd elektrisch circuit met hoge piekspanning.

Terwijl de indringer rommelde in de woonkamer—je hoorde het geritsel van papieren en het omslaan van bladzijden—trapte Arthur heelhuids op de knop van de buitenverlichting en trok tegelijkertijd de stekker van de meterkast uit de wand. KNAL! Een felle, verblindende flits schoot door de ramen naar binnen, gevolgd door een luide knal van een doorgebrande transformator.

De indringer schreeuwde het uit van de schrik door de plotselinge explosie van licht en duisternis. Zonder te aarzelen rende Arthur door de achterdeur de regenachtige tuin in, over het natte gras, en glipte via de achterom het steegje in dat parallel liep aan de straat. De ijskoude regendruppels sloegen in zijn gezicht terwijl hij ademloos tegen een bakstenen muur leunde.

Hij keek omhoog naar zijn eigen huis. Uit het raam van de woonkamer steeg een dunne rookpluim op. De indringer was kennelijk gevlucht via de voordeur, maar de boodschap was overduidelijk: ze wisten dat hij het logboek had. En ze zouden niet stoppen voordat ze het te pakken hadden.

Doordrenkt van regen en met een klopkend hart zocht Arthur dekking in het Wilhelminapark, een paar straten verderop. De oude eikenbomen boden enige beschutting tegen de neerdalende bui. Hij zat op een doorweekte houten bank, het leren logboek stevig onder zijn jas geklemd. Zijn hersenen draaiden op volle toeren. Clara was vermoord omdat ze iets wist over dit logboek, of omdat ze had gezien wie het huis in de gaten hield.

"Je ziet eruit alsof je een geest hebt gezien, Arthur." De stem kwam van achteren. Arthur sprong overeind en draaide zich met een schok om. Daar stond inspecteur Van den Berg, schijnbaar nonchalant leunend tegen de stam van een dikke boom, rokend in de regen ondanks de gure wind. Hij had zijn kraag omhooggeslagen. "Hoe... hoe weet u dat ik hier ben?" vroeg Arthur argwanend, terwijl hij een stap achteruit deed.

Van den Berg glimlachte flauwtjes, een vermoeide, cynische glimlach. "Omdat ik wist dat je naar de kruipruimte zou gaan zodra we weg waren. En omdat we je in de gaten houden, Arthur. Niet als verdachte, maar voor je eigen veiligheid. Die inbraak zojuist was geen amateurwerk. Dat waren professionals van de firma Vanguard Security , een particulier beveiligingsbedrijf dat officieel ontmanteld is, maar in de schaduw nog steeds opdrachten uitvoert voor de hoogste bieder." Arthur keek de inspecteur recht in de ogen.

"Waarom Clara? Wat heeft zij hiermee te maken?" Van den Berg zuchtte diep, gooide zijn peuk weg in de modder en liep een stap naar voren. "Clara Visser was twintig jaar geleden de hoofdonderzoeker van project Janus, naast jou. Toen het misging, heeft zij de schuld op zich genomen om jou te beschermen. Ze heeft jarenlang in de schaduw geleefd, tot ze ontdekte dat ze jullie oude werkgever op het spoor was gekomen in deze stad. Ze klopte bij jou aan omdat ze wist dat ze werd gevolgd... en ze wilde je waarschuwen dat jij het volgende doelwit was."