Een noodlottige nacht in de Oude Stad en het geheim achter het gesloten raam De stad Utrecht hulde zich in de laatste maanden van het jaar steevast in een zilverachtige, grauwe gloed en motregen die tegen de ruiten sloeg
News Story

Een noodlottige nacht in de Oude Stad en het geheim achter het gesloten raam De stad Utrecht hulde zich in de laatste maanden van het jaar steevast in een zilverachtige, grauwe gloed en motregen die tegen de ruiten sloeg

0 weergaven

Deel 2: Het Verhoor in de Ochtendmist

De rechercheurs, die zich voorstelden als inspecteur Van den Berg en agent De Jong, namen Arthur mee naar binnen in zijn eigen woonkamer. De geur van de koude ochtendkoffie hing nog in de lucht terwijl Van den Berg zijn leren notitieboekje opensloeg. De regen tikte onophoudelijk tegen het glas, een eentonig ritme dat de spanning in de kamer alleen maar verhoogde.

Arthur ging op de rand van de bank zitten, zijn handen ineengestrengen, terwijl zijn ogen onrustig tussen de twee mannen heen en weer schoten. "Meneer Van der Velde," begon inspecteur Van den Berg met een lage, doorrookte stem, "uw buurvrouw, Clara Visser, is vanochtend om vijf uur dood aangetroffen in haar woning. Ze is niet overleden aan een natuurlijke dood.

De forensische arts spreekt van een verdachte situatie, en gezien uw nauwe nabijheid en het feit dat u de laatste bent geweest die contact met haar heeft gehad, moeten we u enkele serieuze vragen stellen." Arthur voelde een koude rilling door zijn ruggengraat trekken. Dood? Clara was dood? Nog geen twaalf uur geleden had ze voor zijn deur gestaan, haar trillende hand op zijn arm gelegd, en hem gesmeekt om de gordijnen dicht te houden.

De woorden echoën door zijn hoofd: Houd je gordijnen dicht. En vraag me nooit waarom. "Ik... ik begrijp er niets van," stamelde Arthur, wiens stem heser klonk dan bedoeld. "Gisteravond om middernacht stond ze hier nog. Ze huilde. Ze zei dat ze zou stoppen met kloppen." Van den Berg keekte scherp op. "Kloppen? Bedoelt u dat ze herhaaldelijk bij u aan de deur is geweest de afgelopen nachten?" "Ja," knikte Arthur.

"Vijf nachten op rij. Steeds om precies middernacht. Twee kloppen. Niet harder, niet zachter. Maar gisteravond was het anders. Ze leek doodsbang voor iets, of iemand." Agent De Jong, die tot dan toe zwijgend bij het raam had gestaan en naar buiten had gekeken, draaide zich langzaam om. Zijn blik was doordringend. "Heeft u iets gezien, meneer Van der Velde?

Iemand anders in de straat? Een verdachte auto? Een schaduw?" Arthur schudde langzaam zijn hoofd, maar toen herinnerde hij zich plotseling het detail dat hij aanvankelijk over het hoofd had gezien. De avond waarop de kloppen begonnen, had hij door de kier van het gordijn gekeken en een zilverkleurige sedan zien wegrijden met uitgeschakelde koplampen.

Een auto die nergens bij de bewoners van de straat hoorde. Voordat hij het kon uitspreken, onderbrak Van den Berg hem met een ijzige waarschuwing: "De dader of daders zijn mogelijk nog op vrije voeten. En als Clara probeerde u te waarschuwen... dan bent u nu wellicht ook in gevaar."

Nadat de rechercheurs waren vertrokken, bleef Arthur achter in een huis dat ineens heel erg groot en verlaten aanvoelde. De stilte was drukkend, gevuld met de echo van Clara's laatste woorden. Hij liep naar het raam, keek naar het huis hiernaast waar inmiddels geel politielint over de deur was gespannen, en herinnerde zich direct haar waarschuwing: Houd je gordijnen dicht. Met bevende vingers trok hij de dikke fluwelen gordijnen hermetisch dicht, zodat de buitenwereld volledig werd buitengesloten.

Toch voelde hij zich niet veilig. Het huis ademde een onbehaaglijke sfeer, alsof de muren geheimen kenden waar hij nooit van had geweten. Als werktuigbouwkundig ingenieur was Arthur getraind om logisch na te denken, om constructies te analyseren en zwakke plekken te vinden. Hij besloot zijn eigen woning grondig te inspecteren. Waarom zou Clara in vredesnaam naar zijn deur zijn gekomen?

Er waren andere buren, jongere mensen, actievere mensen. Waarom uitgerekend Arthur? Hij liep naar de gang, tilde het houten luik op dat toegang gaf tot de kruipruimte onder het huis—een ruimte die hij in de tien jaar dat hij hier woonde bijna nooit had betreden. Met een zaklamp in zijn hand daalde hij de roestige metalen ladder af. De lucht was er muf, muf en koud, ruikend naar vochtige aarde en oud hout.

Hij scheen met de lichtbundel over de bakstenen fundering en de betonnen buizen. En toen, ergens diep in de hoek, achter een oude stapel lege verfblikken, zag hij iets glinsteren. Een metalen kistje, half ingegraven in de modder. Arthur liep er langzaam op af, hurkte neer en veegde met een trillende hand het natte zand van het deksel. Het kistje was niet op slot, maar de sluiting zat vastgeroest door het vocht.

Met wat kracht wist hij het open te wrikken. Binnenin lag geen geld of juwelen, maar een dik, in leer gebonden logboek met op de omslag een handgeschreven datum van twintig jaar geleden, en daaronder een naam die zijn adem deed stokken: De constructie van project Janus, door ingenieur Arthur Van der Velde. Maar het handschrift... was niet het zijne.