DEEL 5
Voor een paar seconden zei niemand iets.
Ik bleef naar het scherm van papa's telefoon staren.
ALS JE DE WAARHEID OVER JE MOEDER WILT WETEN, KOM ALLEEN NAAR KAMER 317.
Mijn vingers werden koud.
“Mijn moeder is dood,” zei ik uiteindelijk.
Papa antwoordde niet.
“Dat heb je me altijd verteld.”
“Ik weet het.”
“Je zei dat ze ziek was.”
“Ik weet het.”
“Je zei dat ze in het ziekenhuis stierf.”
Papa sloot zijn ogen.
“Dat heb ik je verteld.”
Ik voelde mijn keel dichtknijpen.
“Maar het was een leugen.”
Hij keek me aan.
“Ja.”
De agent stond naast ons en luisterde zwijgend.
“Mijnheer Van Dijk,” zei hij, “u begrijpt dat we dit nu niet langer als een familieconflict kunnen behandelen.”
Papa knikte.
“Dat begrijp ik.”
“Uw dochter heeft recht op de waarheid.”
Papa keek naar mij.
“Dat weet ik.”
“Dus vertel haar alles.”
Papa haalde diep adem.
“Je moeder heette Helena.”
“Dat weet ik.”
“Maar haar achternaam…”
Hij zweeg.
“Wat?”
Papa keek naar de grond.
“Ze heette Helena Meijer.”
Ik verstarde.
“Meijer?”
“Ja.”
Mijn gedachten schoten onmiddellijk naar Erik.
Mijn vaders beste vriend.
Degene die hem veertig jaar lang had bijgestaan.
Degene die volgens papa op dit moment in gevaar was.
“Erik?”
Papa knikte.
“Erik is je moeders broer.”
Ik deed een stap achteruit.
“Nee.”
“Het spijt me.”
“Dat kan niet.”
“Het is waar.”
“Waarom heeft niemand me dat verteld?”
“Omdat Helena niet wilde dat je het wist.”
“Waarom?”
Papa keek naar de brief.
“Omdat ze niet dood was.”
De woorden kwamen nauwelijks binnen.
“Waar was ze dan?”
“Ze vluchtte.”
“Waarvoor?”
“Voor dezelfde mensen die nu achter ons aan zitten.”
De agent trok zijn wenkbrauwen op.
“U zei dat u twintig jaar geleden bewijs vond.”
Papa knikte.
“Helena vond het eerder.”
Hij vertelde dat mijn moeder destijds werkte als boekhouder bij een groot vastgoedbedrijf in Rotterdam. Ze ontdekte dat miljoenen euro's via een ingewikkeld netwerk van bedrijven werden witgewassen.
Ze wilde aangifte doen.
Maar voordat ze dat kon, werd ze bedreigd.
“Ze kwamen achter haar aan,” zei papa.
“Wie?”
“Een man die zich voordeed als advocaat.”
Ik voelde mijn hart bonzen.
“En jij?”
“Ik probeerde haar te beschermen.”
“Maar je zei dat ze dood was.”
“Dat was de enige manier om jou veilig te houden.”
Ik keek hem ongelovig aan.
“Je liet mij twintig jaar geloven dat mijn moeder dood was.”
“Ik dacht dat het beter was.”
“Voor wie?”
Papa keek me aan.
“Voor jou.”
Ik draaide me weg.
Ik wilde boos zijn.
Ik wilde schreeuwen.
Maar ergens diep vanbinnen voelde ik ook verdriet.
Niet alleen omdat mijn vader tegen me had gelogen.
Maar omdat er ineens een kans bestond dat mijn moeder nog leefde.
De telefoon van de agent begon te trillen.
Hij keek naar het scherm.
“Mijn collega's zijn aangekomen bij het kantoor van Erik.”
Papa kwam onmiddellijk dichterbij.
“En?”
“Ze hebben hem gevonden.”
“Leeft hij?”
De agent aarzelde.
“Ja.”
Ik haalde opgelucht adem.
“Maar…”
Papa keek hem strak aan.
“Maar wat?”
“Hij is gewond.”
Papa pakte zijn jas.
“We gaan.”
De agent schudde zijn hoofd.
“U gaat nergens heen.”
“Hij is mijn beste vriend.”
“En u bent mogelijk het doelwit.”
Papa keek hem recht aan.
“Dan kunnen ze mij beter volgen.”
De agent zuchtte.
Uiteindelijk gingen we met twee politieauto's naar het kantoor.
Toen we aankwamen, stond de voordeur open.
Een raam was gebroken.
Papieren lagen verspreid over de vloer.
Een stoel was omgevallen.
Er hing een scherpe geur van rook in de lucht.
Erik zat achterin het kantoor.
Een agent hielp hem overeind.
Zijn voorhoofd bloedde.
Papa liep onmiddellijk naar hem toe.
“Erik.”
Erik keek op.
“Je had niet moeten komen.”
Papa knielde naast hem.
“Wie waren het?”
Erik keek naar mij.
Toen naar de agent.
“Thomas.”
Mijn maag draaide om.
“Thomas was hier?”
Erik knikte.
“Hij wilde de kluis.”
Papa verstijfde.
“Welke kluis?”
“De oude.”
Papa keek hem aan.
“Hij weet ervan?”
“Hij weet dat er iets bestaat.”
Erik greep papa's arm.
“Maar hij weet niet waar.”
Papa keek opgelucht.
Tot Erik fluisterde:
“Hij had Sophie bij zich.”
Ik voelde mijn hart zinken.
“Mijn zus?”
Erik knikte.
“Ze huilde.”
“Wat zei ze?”
“Ze zei dat ze geen keuze had.”
Papa stond langzaam op.
“Waar zijn ze nu?”
Erik wees naar de deur.
“Ze zijn vertrokken.”
“Waarheen?”
“Ze hadden het over een ziekenhuis.”
Papa en ik keken elkaar aan.
“Kamer 317,” zei ik.
Erik keek verbaasd.
“Wie heeft jou dat verteld?”
Ik liet hem de brief zien.
Erik las hem.
Zijn gezicht werd lijkbleek.
“Waar heb je dit vandaan?”
“Papa's tas.”
Erik keek naar mijn vader.
“Je hebt het haar eindelijk verteld.”
Papa knikte.
Erik zuchtte.
“Dan is er geen tijd meer.”
“Waarvoor?” vroeg ik.
Erik keek naar mij.
“Om je moeder te vinden.”
Mijn adem stokte.
“Je weet waar ze is?”
Hij keek naar papa.
Papa antwoordde:
“Niet precies.”
Erik schudde zijn hoofd.
“Jawel.”
Papa's ogen vernauwden zich.
“Wat bedoel je?”
“Ik kreeg vanochtend een bericht.”
“Van wie?”
“Helena.”
De wereld leek even stil te staan.
Mijn moeder.
Had mijn moeder Erik vandaag een bericht gestuurd?
“Wat stond erin?”
Erik haalde zijn telefoon tevoorschijn.
Hij liet ons het scherm zien.
Er stond:
Erik, als Daan nog leeft, vertel hem dat ik terugkom.
Ik keek naar papa.
“Daan?”
Papa staarde naar het bericht.
Erik keek naar mij.
“Je vader heet niet alleen Pieter van Dijk.”
Ik fronste.
“Wat bedoel je?”
Erik antwoordde:
“Zijn echte naam is Daan Meijer.”
Ik keek naar mijn vader.
Hij knikte langzaam.
“Dat was mijn naam voordat ik verdween.”
“Waarom?”
“Omdat Helena en ik samen moesten verdwijnen.”
Ik voelde duizend vragen tegelijk opkomen.
Maar toen ging er een telefoon over.
Niet die van papa.
Niet die van Erik.
Mijn telefoon.
Een onbekend nummer.
Ik nam op.
“Hallo?”
Niemand antwoordde.
Toen hoorde ik een vrouwenstem.
Zacht.
Breekbaar.
Een stem die ik nog nooit bewust had gehoord, maar die toch onmiddellijk vertrouwd voelde.
“Natalie?”
Ik kon niet ademen.
“Wie bent u?”
De vrouw begon te huilen.
“Mijn kind…”
Mijn knieën werden slap.
Papa keek naar mij.
Ik fluisterde:
“Mama?”
Aan de andere kant van de lijn bleef het stil.
Toen zei de vrouw:
“Je vader heeft je niet alles verteld.”
Ik keek naar papa.
Zijn gezicht werd lijkbleek.
“Wat heb ik niet verteld?” vroeg ik.
De stem antwoordde:
“Dat ik niet degene was die twintig jaar geleden verdween.”
Er viel een lange stilte.
Toen kwam de laatste zin.
“Je vader was degene die mij achterliet.”
De verbinding werd verbroken.
Papa staarde naar mijn telefoon.
Ik keek hem aan.
“Is dat waar?”
Hij antwoordde niet.
En toen wist ik dat er nog één geheim was.
Een geheim dat zelfs mijn vader blijkbaar niet durfde te vertellen.





