DEEL 4
“Ze hebben mij gevonden.”
De woorden van Erik bleven door de keuken galmen.
Papa keek naar mij.
Ik zag de kleur uit zijn gezicht verdwijnen.
“Waar ben je?” vroeg hij.
Erik antwoordde niet meteen.
Ik hoorde wind.
Daarna het geluid van een auto die langsreed.
“Ik ben bij het oude kantoor.”
Papa verstijfde.
“Ben je alleen?”
“Nee.”
“Wie is er bij je?”
“Dat weet ik niet.”
Erik ademde zwaar.
“Ik zag twee mannen binnenkomen. Ze zochten naar iets.”
Papa keek naar de agent.
De agent begreep onmiddellijk dat er meer aan de hand was.
“Mijnheer Meijer,” zei hij, “kunt u veilig naar buiten?”
“Niet via de voordeur.”
“Waarom niet?”
“Omdat er iemand voor het gebouw staat.”
Papa pakte zijn jas.
“Ik ga naar hem toe.”
De agent hield hem tegen.
“Absoluut niet.”
Papa keek hem strak aan.
“Dat is mijn beste vriend.”
“En juist daarom gaat u nergens heen.”
Papa wilde protesteren.
De agent stak zijn hand op.
“Wij sturen onmiddellijk een eenheid.”
Papa zweeg.
Voor het eerst zag ik hem echt bezorgd.
Niet voor zichzelf.
Voor Erik.
De agent noteerde het adres en belde zijn collega's.
Ik liep naar het raam.
Buiten was de straat inmiddels leeg.
De zwarte Mercedes was verdwenen.
Maar ergens verderop hoorde ik een motor.
“Papa…”
Hij keek naar mij.
“Wat?”
“Waarom is iedereen zo bang voor dat testament?”
Papa ging zitten.
Hij keek naar de USB-stick in zijn hand.
“Omdat het niet alleen over geld gaat.”
“Wat staat erin?”
“De waarheid.”
“Welke waarheid?”
Hij zuchtte.
“Een waarheid die ik jarenlang voor jullie verborgen heb gehouden.”
Ik ging tegenover hem zitten.
“Papa, ik ben nu echt klaar met geheimen.”
Hij glimlachte droevig.
“Dat verdien je.”
Hij keek naar de agent.
“Mag ik haar alles vertellen?”
De agent knikte.
“Zolang het niets in gevaar brengt.”
Papa legde zijn handen op tafel.
“Twintig jaar geleden werkte ik niet alleen als ondernemer.”
Ik wachtte.
“Ik werkte voor een financieel onderzoeksbureau.”
Ik fronste.
“Wat voor bureau?”
“Een bureau dat fraude binnen grote bedrijven onderzocht.”
“En?”
“Tijdens één onderzoek ontdekte ik een netwerk van bedrijven dat geld wegsluisde via vastgoedtransacties.”
Ik keek naar de USB-stick.
“Thomas?”
Papa knikte langzaam.
“Indirect.”
Mijn maag trok samen.
“Hoe?”
“Thomas werkt al jaren voor een bedrijf dat bij dat netwerk betrokken is.”
Ik dacht aan zijn opmerkingen.
Zijn arrogantie.
Zijn plotselinge interesse in papa's geld.
Alles begon op zijn plaats te vallen.
“Maar waarom zou hij papa willen vermoorden?”
Papa keek naar de agent.
“Omdat ik drie maanden geleden bewijs vond dat het netwerk nog steeds actief is.”
De agent boog iets naar voren.
“En u heeft dat bewijs opgeslagen?”
Papa tikte op de USB-stick.
“Hier.”
“Waarom niet bij de politie?”
“Omdat ik eerst wilde weten wie ik kon vertrouwen.”
De agent keek hem ernstig aan.
“U had dus reden om niemand te vertrouwen.”
“Precies.”
Op dat moment begon de telefoon opnieuw te rinkelen.
Erik.
Papa nam onmiddellijk op.
“Erik?”
Geen antwoord.
“Erik!”
Ik hoorde een harde klap.
Daarna een schurend geluid.
“Papa…” fluisterde ik.
De verbinding werd verbroken.
Papa sprong overeind.
De agent greep zijn radio.
“Eenheid naar het kantoor van Erik Meijer. Mogelijke bedreiging. Slachtoffer mogelijk in gevaar.”
Papa keek mij aan.
“Hij weet waar het bewijs ligt.”
“Wie?”
“Erik.”
“Waarom?”
“Omdat ik hem de sleutel heb gegeven.”
“Welke sleutel?”
Papa wees naar de leren tas.
“De sleutel van een kluis.”
Ik voelde een koude rilling.
“Welke kluis?”
“De kluis waar het echte dossier ligt.”
De agent keek hem aan.
“En waar is die kluis?”
Papa antwoordde:
“Op een plek waar Thomas nooit naar zou zoeken.”
“Waar?”
Papa keek mij aan.
“In jouw huis.”
Ik dacht dat ik hem verkeerd had verstaan.
“Wat?”
“Niet hier.”
Hij wees naar de gang.
“Onder de vloer van je oude slaapkamer.”
Ik staarde hem aan.
“Je hebt iets onder mijn vloer verborgen?”
“Ja.”
“Wanneer?”
“Zeven jaar geleden.”
“Waarom heb je me dat nooit verteld?”
“Omdat je het niet mocht weten.”
Ik lachte kort van ongeloof.
“Papa, je vertelde me net dat ik het belangrijkste document van je leven zou erven, en nu vertel je me dat er jarenlang een geheime kluis onder mijn vloer ligt?”
“Ja.”
“Dat klinkt krankzinnig.”
“Dat is het misschien ook.”
Hij pakte zijn jas.
“Maar het is waar.”
De agent stond op.
“Niemand gaat ergens heen totdat mijn collega's terug zijn.”
Papa keek hem aan.
“Als we wachten, is het te laat.”
“Waarvoor?”
“Voor Erik.”
De agent aarzelde.
Zijn radio kraakte.
Een stem kwam door.
“Eenheid 14 meldt zich. We zijn onderweg naar het kantoor.”
Papa keek mij aan.
“Kom.”
De agent zuchtte.
“Ik zei toch…”
Papa onderbrak hem.
“Als Thomas denkt dat ik dood ben, hebben we één voordeel.”
“Welk voordeel?”
Papa glimlachte.
“Hij denkt dat hij gewonnen heeft.”
Hij liep naar de voordeur.
Ik volgde hem.
De agent vloekte zacht en ging achter ons aan.
Maar voordat we naar buiten stapten, zag ik iets op de tafel.
De bruine envelop.
Ik pakte hem.
“Papa.”
Hij draaide zich om.
“Wat?”
“Er zit nog iets in.”
Ik haalde een tweede vel papier eruit.
Het was geen testament.
Het was een handgeschreven brief.
De datum bovenaan was van gisteren.
Ik begon te lezen.
De eerste zin liet mijn benen bijna bezwijken.
Natalie, als je dit leest, betekent het dat Sophie je heeft verteld dat ik dood ben.
Ik keek naar papa.
Hij was lijkbleek.
“Wat staat er nog meer?”
Ik las verder.
Vertrouw Sophie niet.
Ik slikte.
“Papa…”
Hij kwam dichterbij.
“Lees.”
Mijn ogen gingen naar de volgende regel.
Maar vertrouw Thomas nog minder.
Daaronder stond één laatste zin.
En als Erik je belt, vraag hem naar kamer 317.
Ik keek naar papa.
“Wat is kamer 317?”
Zijn gezicht veranderde.
Hij wist het.
“Het oude ziekenhuis.”
“Welk ziekenhuis?”
Hij antwoordde niet.
De agent wel.
“Wacht.”
Hij pakte de brief.
Hij las de laatste regel.
Toen keek hij naar papa.
“Mijnheer Van Dijk…”
“Ja?”
“Dat ziekenhuis is drie jaar geleden gesloten.”
Papa knikte.
“Dat weet ik.”
“Waarom zou u ons daarheen sturen?”
Papa keek naar mij.
“Omdat kamer 317 niet in het ziekenhuis was.”
Hij wees naar de brief.
“Het was de kamer waar ik iemand twintig jaar geleden voor het laatst zag.”
“Wie?”
Papa zweeg.
Toen zei hij:
“Mijn vrouw.”
Mijn hart sloeg over.
Mijn moeder was volgens alles wat ik wist twintig jaar geleden overleden.
Maar papa keek me recht aan.
“Je moeder is niet gestorven.”
Op dat moment kwam er een bericht binnen op zijn telefoon.
Van een onbekend nummer.
Er stond maar één zin:
ALS JE DE WAARHEID OVER JE MOEDER WILT WETEN, KOM ALLEEN NAAR KAMER 317.
Papa keek naar mij.
En voor het eerst zag ik echte angst in zijn ogen.





