DEEL 6: HET GELUID IN DE NACHT
De vaas rolde met een luide, hol klinkende echo over de vloer en kwam tot stilstand tegen de plint. In de kamer viel direct een doodse stilte. De stemmen verstomden in één klap. Mijn hart leek in mijn keel te kloppen. Ik drukte mijn rug plat tegen de gangmuur, sloot mijn ogen en bad dat ze zouden denken dat het de wind of een muis was geweest. Maar ik wist beter.
De voetstappen kwamen al onmiddellijk op de gang af. Zware, doelgerichte stappen. ‘Wer ist da?’ klotste de boze, raspende stem van Heinrich von Houten door de duisternis. Er was geen ontkomen meer aan. Voordat ik kon wegrennen, werd de deur van de kamer met een harde ruk opengedwaald. Het felle licht van de kroonluchter viel direct op mijn gezicht.
De oude baron verscheen in de deuropening. Zijn ogen vernauwden zich tot spleetjes toen hij mij zag. Geen seconde van verbazing, alleen een ijskoude erkenning. ‘Die Naaister uit het dorp,’ fluisterde hij, en zijn stem klonk gevaarlijker dan geschreeuw. ‘Elena, kijk eens wie er zo nodig door onze kieren moet gluren.’ Elena verscheen achter hem, haar ogen groot van angst.
Ze keek me aan met een blik waarin zowel wanhoop als bittere verwijt lag besloten. ‘Waarom?’ fluisterde ze. ‘Waarom moest je je er zo nodig mee bemoeien?’ ‘Omdat dat kind bijna bezwijkt onder jullie tirannie!’ riep ik, terwijl ik mezelf dwong om rechtop te gaan staan, ondanks de siddering in mijn benen. ‘Denken jullie nu echt dat jullie zoiets in stilte kunnen laten verdwijnen in deze tijd?
De hele school weet dat er iets mis is!’ Heinrich von Houten glimlachte kil. Het was een glimlach die geen enkele warmte bevatte. ‘De school weet niets, juffrouw De Vries. En u zult ook spoedig niets meer weten.’ Voordat ik kon reageren, schoot er een gestalte uit de schaduw achter de baron te voorschijn. Het was een grote, breedgeschouderde man in een donkere jas—kennelijk een lijfwacht of chauffeur die beneden op de uitkijk had gestaan.
Met een snelle beweging greep hij mij bij mijn armen. Ik probeerde te slaan en te schoppen, maar zijn grip was als een ijzeren bankschroef. ‘Laat me los!’ schreeuwde ik, terwijl ik worstelde. ‘De politie is al op de hoogte! Ze weten waar ik ben!’ Het was een bluf, een wanhopige leugen, maar de baron trok er geen moment van bleek van weg. Hij liep langzaam naar me toe en bleef vlak voor me staan.
De geur van dure eau de cologne en oud papier hing om hem heen. ‘In dit land, juffrouw De Vries, koopt men geen zwijgen met geweld. Men koopt het met stilte,’ zei hij zacht. ‘Zet haar in de kelder. Tot morgenochtend het transport gereed is.’ Voor ik nog iets kon uitbrengen, drukte de lijfwacht een dikke, ruwe doek over mijn mond en neus. Een chemische, verstikkende geur sloeg in mijn hersenen. De wereld begon te tollen, de kleuren van de gang smolten samen tot een vlekkerige brei, en de stemmen vervaagden tot een hol geruis...






