De kaart die mijn man verborgen had
News Story

De kaart die mijn man verborgen had

0 weergaven

DEEL 9 — De val aan de haven

De oude haven van Pensacola lag er verlaten bij in het vroege ochtendlicht. De roestige kranen staken als skeletten af tegen de grijze hemel en het water van de baai klotste traag tegen de houten palen van de steiger. Volgens de instructies reed agente Jensen me in de rolstoel tot het begin van de pier, terwijl drie federale eenheden zich onopgemerkt verdeeld hadden tussen de lege zeecontainers en de loodsen. Ik droeg de zware aktetas van Robert op schoot. Mijn handen waren koud, maar mijn vastberadenheid was groter dan ooit.

Aan het uiteinde van de steiger stond een zwarte limousine met draaiende motor. De deuren vlogen open en twee mannen in zwarte zonnebrillen stapten uit. Tussen hen in werd Michael voortgeduwd. Zijn haar zat in de war, zijn overhemd was gekreukt en zijn gezicht bleek van angst. Toen hij mij in mijn rolstoel zag aan komen rollen, begon hij te roepen: "Mam! Ga weg! Dit is een val!"

Een van de mannen gaf hem een ruwe duw in zijn rug waardoor Michael bijna viel. "Hou je mond, idioot!" snauwde de man.

Ik liet me stoppen op ongeveer tien meter afstand van hen. Agente Jensen hield zich schuil achter een stapel houten kratten, haar hand op haar dienstwapen.

"Ik ben er," riep ik zo luid en kalm mogelijk. "De tas is hier. Laat mijn zoon gaan."

Een derde man stapte uit de limousine. Het was niet directeur Vance, maar iemand met een nog killer blik in zijn ogen—een man met een litteken over zijn linkerwang en een lange mantel aan, die duidelijk de echte leider van dit criminele syndicaat was. Hij liep langzaam naar voren, zijn schoenen kraakten op het hout van de pier.

"Mevrouw Miller," zei hij met een ijzige glimlach. "Wat fijn dat u zo punctueel bent. Uw man was altijd een man van zijn woord, en blijkbaar heeft u dat van hem geërfd."

"De tas gaat pas open als Michael hier bij mij staat," eiste ik, terwijl ik de aktetas stevig vasthield.

De man met het litteken lachte schamper. Hij maakte een gebaar naar zijn handlangers. Ze duwden Michael naar voren, maar lieten hem pas los toen hij half struikelend bij mijn rolstoel aankwam. Michael liet zich op zijn knieën vallen, greep mijn handen vast en huilde. "Mam... het spijt me zo erg. Ik wist niet... ik zat zo diep in de schulden..."

"Stil maar, Michael," zei ik zacht, terwijl ik over zijn haar streek. "Ik ben er nu."

"Goed familiedrama," klonk de stem van de man met het litteken achter hen. "En nu... de tas, alstublieft."

Ik tilde de aktetas op en legde hem op de houten planken voor me. Maar in plaats van hem open te maken, drukte ik op de kleine noodknop aan de zijkant van het handvat—de knop die Robert mij op het hart had gedrukt om alleen in te drukken als er geen andere uitweg meer was.

Plotseling loeide er geen alarm, maar hoorde ik het harde geratel van helikopters die uit de mist boven de baai opstakken.