DEEL 3 — Mijn zoon
De volgende ochtend werd ik wakker op een stoel naast Lucas' bed.
Ik had nauwelijks geslapen.
De hele nacht had ik naar zijn ademhaling geluisterd.
Bij iedere beweging schrok ik op.
Bij ieder geluid dacht ik dat iemand hem kwam halen.
Toen hij eindelijk zijn ogen opendeed, keek hij me een paar seconden aan.
“Ben jij er nog?”
Ik glimlachte.
“Ja.”
“Je bent niet weggegaan.”
“Nee.”
Hij keek naar het raam.
“Mijn oma zei altijd dat mensen uiteindelijk weggaan.”
“Niet iedereen.”
Hij keek naar mij.
“Waarom niet?”
Ik wist niet wat ik moest zeggen.
Dus ik zei de waarheid.
“Omdat ik je net gevonden heb.”
Hij zweeg.
“Mag ik je iets vragen?”
Hij knikte.
“Waarom heb je mijn naam opgeschreven?”
Lucas keek naar zijn handen.
“Omdat papa zei dat ik dat moest doen.”
“Wanneer?”
“Toen ik klein was.”
“Hoe klein?”
“Zes, denk ik.”
“Wat zei hij?”
Lucas dacht na.
“Hij zei: als er ooit iets met je gebeurt en ik er niet ben, moet je Eva Van der Meer bellen.”
Mijn hart sloeg sneller.
“Waarom?”
“Omdat zij je nooit in de steek heeft gelaten.”
Ik keek naar hem.
“Maar ik was er niet.”
“Dat zei oma.”
“En geloofde je haar?”
Lucas haalde zijn schouders op.
“Toen wel.”
Hij keek me aan.
“Maar papa geloofde haar niet.”
Ik slikte.
“Wat bedoel je?”
“Hij zei dat ze loog.”
De deur ging open.
Een verpleegster kwam binnen.
“Hoe voelt hij zich?”
“Beter,” zei Lucas.
De verpleegster glimlachte.
“Ik laat jullie even alleen.”
Toen ze weg was, keek Lucas weer naar mij.
“Mijn oma zei dat je me niet wilde.”
“Ik wilde je wel.”
“Waarom kwam je dan niet?”
“Ik wist niet waar je was.”
Hij keek me lang aan.
“Dus je hebt me niet verlaten?”
“Nee.”
Zijn ogen vulden zich met tranen.
Ik pakte zijn hand.
“Het spijt me.”
“Waarom?”
“Omdat ik je niet heb kunnen vinden.”
Hij veegde met zijn mouw over zijn gezicht.
Toen zag ik opnieuw het leren bandje om zijn pols.
“Mag ik dat zien?”
Hij knikte.
Ik pakte zijn arm voorzichtig vast.
Het leer was oud.
Versleten.
Binnenin stond nog steeds:
Mama.
“Wie heeft dit gemaakt?”
“Papa.”
“Wanneer?”
“Toen ik geboren werd.”
Mijn hart brak.
“Waarom staat daar mama?”
Lucas glimlachte zwak.
“Hij zei dat ik ooit moest weten dat mijn moeder van me hield.”
Ik kon mijn tranen niet meer tegenhouden.
“Dat deed ik.”
“Ik weet het.”
Ik keek hem verbaasd aan.
“Hoe?”
Hij haalde iets onder zijn kussen vandaan.
Een oude foto.
Mijn adem stokte.
Op de foto stond ik.
Negentien jaar oud.
Ik hield een baby vast.
Lucas.
“Waar heb je dit vandaan?”
“Papa gaf het aan mij.”
“Wanneer?”
“Een paar maanden geleden.”
“Waarom?”
Lucas keek naar de foto.
“Omdat hij ziek was.”
Ik voelde iets in mijn borst knijpen.
“Hoe lang was hij ziek?”
“Lang.”
“Waarom heeft hij me nooit gebeld?”
Lucas keek naar mij.
“Dat wilde hij.”
“Maar?”
“Hij mocht niet.”
Ik verstijfde.
“Wie verbood het hem?”
Lucas wees naar de deur.
“Mijn oma.”
Ik stond op.
“Marianne?”
Hij knikte.
“Ze zei dat je gevaarlijk was.”
“Gevaarlijk?”
“Dat je alleen bij mij wilde zijn vanwege geld.”
Ik lachte ongelovig.
“Geld?”
“Ja.”
Ik keek naar mijn zoon.
“Lucas, ik wist niet eens dat jij bestond.”
“Ik weet het.”
“Hoe weet jij dat?”
Hij keek naar zijn vader's foto.
“Papa vertelde me alles.”
“Wat alles?”
Lucas antwoordde niet.
Hij wees naar de deur.
Daar stond Marianne.
Ze keek mij aan.
Voor het eerst sinds twaalf jaar stonden we tegenover elkaar.
En ik zag onmiddellijk iets in haar ogen.
Angst.
Niet schuld.
Angst.
Alsof mijn komst haar hele leven kon vernietigen.
Ze zei slechts vier woorden:
“Je had nooit moeten komen.”
* * *






