DEEL 4 — DE MAN DIE ALLES WIST
“Geef me die doos.”
Zijn stem klonk rustig.
Veel te rustig.
Ik hield de doos tegen mijn borst.
“Waarom?”
Hij liep langzaam dichterbij.
“Omdat je niet begrijpt waar je mee bezig bent.”
Daniel ging voor mij staan.
“Blijf daar.”
De man stopte.
Hij keek naar Daniel.
“Jij hebt haar beloofd dat je haar geheim zou bewaren.”
Daniel antwoordde niet.
“En nu heb je haar moeder erbij betrokken.”
Hij zuchtte.
“Emma zou woedend zijn.”
Mijn stem trilde.
“U kende Emma’s geheim?”
Hij keek me aan.
“Ja.”
“Wie bent u eigenlijk?”
Hij glimlachte verdrietig.
“Mijn naam is Thomas Bennett.”
Ik verstijfde.
Bennett.
De naam uit Emma's video.
Laura Bennett.
“Laura…”
Hij knikte.
“Mijn zus.”
De wereld leek even te draaien.
“Uw zus?”
“Ja.”
“U bent degene die haar nooit heeft opgegeven.”
Zijn ogen vulden zich met tranen.
“Twintig jaar lang.”
Ik wist niet wat ik moest zeggen.
Thomas keek naar de doos.
“Emma vond mij zes maanden geleden.”
“Waarom?”
“Omdat ze Laura's dagboek had gevonden.”
“En toen?”
“Toen vertelde ze me dat ze dacht dat Laura niet was weggelopen.”
“Dat wist u toch al?”
“Weten is iets anders dan bewijzen.”
Hij keek naar de USB-stick.
“Emma had bewijs.”
Ik keek naar de stick.
“Wat staat daarop?”
Thomas antwoordde:
“Een opname.”
“Van wat?”
“Van iemand die praat over Laura.”
“Wie?”
Hij zweeg.
Toen zei hij:
“Een van de leraren die destijds bij haar verdwijning betrokken was.”
Mijn maag draaide om.
“Leeft die persoon nog?”
Thomas knikte.
“Ja.”
“Wie?”
Voordat hij kon antwoorden, klonk er een stem achter ons.
“Dat doet er niet meer toe.”
We draaiden ons om.
De directeur stond in de deuropening.
Maar hij was niet alleen.
Naast hem stonden twee mannen in donkere jassen.
Ik kende hen niet.
De directeur keek naar de doos.
“Geef die aan mij.”
Thomas schudde zijn hoofd.
“Niet deze keer.”
De directeur zuchtte.
“Je hebt twintig jaar lang hetzelfde gedaan, Thomas.”
“En jij hebt twintig jaar lang gelogen.”
Er viel een lange stilte.
Ik keek van de een naar de ander.
“Wat is hier aan de hand?”
Niemand antwoordde.
Toen pakte ik mijn telefoon.
“Ik bel de politie.”
Een van de mannen stapte naar voren.
“Dat zou ik niet doen.”
Ik keek hem aan.
“Waarom niet?”
“Omdat u niet weet wie u daarmee in gevaar brengt.”
Mijn handen trilden.
“Mijn dochter is dood.”
Mijn stem werd harder.
“Mijn leven is al vernietigd.”
Ik wees naar de deur.
“Dus vertel me de waarheid.”
Thomas keek naar mij.
“Emma ontdekte dat haar ongeluk gepland was.”
Mijn hart stopte bijna.
“Wat?”
“Ze had iemand ontmoet die haar probeerde te waarschuwen.”
“Wie?”
“Laura's voormalige vriendin.”
“Waar is zij?”
Thomas keek naar de directeur.
“Dood.”
De directeur sloot zijn ogen.
Ik voelde tranen opkomen.
“Hoe?”
“Een auto-ongeluk.”
Ik keek naar Thomas.
“Net als Emma?”
Hij knikte.
“Net als Emma.”
De USB-stick voelde plotseling loodzwaar.
Ik draaide hem om.
Er stond één woord op geschreven.
14.
“Wat betekent dit?”
Thomas keek geschrokken.
“Waar heb je dat vandaan?”
“Het stond erop.”
Hij pakte de stick niet aan.
“Emma heeft je verteld over de rode neus.”
“Ja.”
“Dan moet je ook weten wat 14 betekent.”
“Dat weet ik niet.”
Thomas keek naar Daniel.
Daniel fluisterde:
“Veertien namen.”
Mijn adem stokte.
“Welke namen?”
Thomas antwoordde:
“De mensen die in 1998 betrokken waren.”
“Maar waarom zou Emma dat op een USB-stick zetten?”
“Omdat ze wist dat haar computer gecontroleerd werd.”
Ik keek hem aan.
“Door wie?”
Thomas wees langzaam naar de directeur.
Mijn hart zonk.
De directeur schudde zijn hoofd.
“Dat is niet waar.”
Thomas lachte bitter.
“Je hebt haar laptop laten wissen.”
“Dat was beveiligingsprotocol.”
“Je hebt haar bestanden laten verwijderen.”
“Onzin.”
“En je hebt haar drie dagen voor haar dood laten volgen.”
De directeur keek weg.
Dat was genoeg.
Ik voelde woede door mijn lichaam stromen.
“Waarom?”
Hij keek me eindelijk aan.
“Uw dochter had iets gevonden wat ze nooit had mogen vinden.”
“Wat?”
Hij zei niets.
Ik liep naar hem toe.
“Wat heeft Emma gevonden?”
Hij fluisterde:
“Een naam.”
“Welke?”
Hij keek naar de vloer.
Toen zei Thomas:
“De naam van de persoon die vandaag op het podium stond.”
Mijn hart sloeg over.
“Daniel?”
“Nee.”
Ik keek naar de deur.
De directeur wees niet naar Daniel.
Hij wees naar iemand die nog in de aula stond.
De jongen die Emma's brief aan mij had gegeven.
Daniel.
Maar Thomas zei:
“Niet hij.”
Hij wees naar de man achter de directeur.
“Hij.”
Ik keek naar de donkere man.
En toen herkende ik hem.
Hij was geen onbekende.
Hij was de politieagent die mij drie maanden geleden had verteld dat Emma's dood een ongeluk was.






