DEEL 16 — DE BROER VAN DANIEL
“Op de grond!”
Miller duwde me achter de tafel.
Het licht viel uit.
Connor greep mijn hand.
“Blijf bij mij.”
Er klonk opnieuw glasgerinkel.
Daarna stilte.
Daniel keek naar de zwarte zender.
“Ze willen dat we weten dat ze hier zijn.”
Thomas knielde naast het apparaat.
“Dit is geen gewone zender.”
“Wat dan?” vroeg ik.
“Een tracker.”
Daniel knikte.
“Ze hebben ons al lang gevonden.”
Miller keek naar de deur.
“Hoe?”
Daniel keek naar Thomas.
Thomas begreep het meteen.
“Mijn telefoon.”
Hij haalde hem uit zijn zak.
Daniel pakte hem.
“Geef hem hier.”
Thomas aarzelde.
“Nu.”
Hij gaf hem de telefoon.
Daniel verwijderde de batterij.
“Te laat,” zei Miller.
“Waarom?”
“Als ze eenmaal toegang hebben gekregen tot de locatiegegevens, maakt het verwijderen van de batterij niets meer uit.”
Daniel keek hem aan.
“Dan moeten we vertrekken.”
“Waarheen?”
“Het archief.”
Ik keek hem aan.
“Welk archief?”
“Het echte.”
“Dit was niet het echte?”
Daniel schudde zijn hoofd.
“Dit is slechts een kopie.”
Miller keek verbaasd.
“Waar is het origineel?”
Daniel keek naar mij.
“Bij jou.”
Ik begreep het niet.
“Bij mij?”
“Je hebt het twaalf jaar bij je gedragen.”
Mijn hand ging automatisch naar mijn ketting.
Een eenvoudige zilveren ketting die ik van mijn vader had gekregen.
Daniel wees ernaar.
“Die.”
Ik trok hem af.
“Wat zit erin?”
“Open hem.”
Ik draaide het kleine hangertje om.
Aan de achterkant zat een nauwelijks zichtbaar schroefje.
Thomas pakte een munt.
Hij draaide het open.
Binnenin zat een minuscuul geheugenkaartje.
Ik staarde ernaar.
“Mijn vader?”
Daniel knikte.
“Hij heeft het voor jou verborgen.”
Miller pakte het kaartje.
“Als dit bevat wat ik denk…”
“Dan vallen er mensen,” zei Daniel.
“Wie?”
Daniel keek naar Richard.
“Veel meer dan alleen hij.”
Richard werd woedend.
“Je hebt geen idee wat je doet.”
Daniel draaide zich naar hem.
“Dat weet ik beter dan jij.”
Richard lachte bitter.
“Je hebt twaalf jaar ondergedoken gezeten.”
“Om jou te laten denken dat je gewonnen had.”
“Je bent nog steeds niet veilig.”
“Ik weet het.”
Toen ging de deur open.
Iedereen richtte zijn wapen.
Een agent kwam binnen.
“Rustig!”
Miller keek hem aan.
“Wie ben jij?”
“Agent Harris.”
Miller fronste.
“Ik ken je niet.”
De man glimlachte.
“Dat hoeft ook niet.”
Hij trok een wapen.
Miller schoot sneller.
Harris viel.
Connor schreeuwde.
Ik verstijfde.
Daniel pakte mijn arm.
“Nu.”
We renden naar de achterdeur.
Thomas bleef achter.
“Thomas!”
“Ik kom!”
Hij volgde ons.
Buiten stond een zwarte auto.
Daniel trok de deur open.
“Instappen!”
We stapten allemaal in.
Miller reed.
Na enkele minuten vroeg ik:
“Waar gaan we heen?”
“Een oude opslagplaats.”
“Van wie?”
“Van mijn vader.”
“Maar hij is dood.”
Daniel keek me aan.
“Dat was ook wat iedereen dacht.”
Ik keek hem verbijsterd aan.
“Wat bedoel je?”
“Mijn vader heeft zijn dood in scène gezet.”
“Waarom?”
“Omdat hij wist dat Jonathan hem zou vinden.”
We reden verder.
Niemand sprak.
Toen begon Daniels telefoon te trillen.
Hij keek naar het scherm.
Een bericht.
JE HEBT HET KAARTJE GEVONDEN.
Daaronder:
MAAR JE HEBT NOG STEEDS NIET BEGREPEN WIE ELEANOR ECHT IS.
Ik voelde mijn hartslag versnellen.
“Wat betekent dat?”
Daniel keek me aan.
“Ik weet het niet.”
Een tweede bericht kwam binnen.
VRAAG HAAR NAAR 4 MAART 1988.
Ik fronste.
“Wat is 4 maart 1988?”
Daniel keek naar mij.
“Je geboortedatum.”
Ik voelde de wereld om me heen draaien.
“Waarom?”
Hij antwoordde niet.
Miller keek in de achteruitkijkspiegel.
“Daniel?”
Daniel keek naar hem.
“Ik denk dat we het verkeerde archief zoeken.”
“Wat bedoel je?”
“Het archief gaat niet over mijn familie.”
Hij keek naar mij.
“Het gaat over Eleanor.”
* * *
* * *






