DEEL 8 — DE MAN DIE NIET DOOD WAS
We verlieten het kantoor nog dezelfde avond.
Niemand zei veel.
Mijn moeder zat naast me in de auto.
Thomas reed.
Ik keek voortdurend naar haar.
“Je wist dat opa was vermoord.”
Ze keek uit het raam.
“Ja.”
“En je hebt het me nooit verteld.”
“Ik was bang.”
“Dat woord begint zijn betekenis te verliezen.”
Ze keek me aan.
“Emma…”
“Nee. Ik wil de waarheid.”
Ze zweeg.
“Alles.”
Na een lange stilte begon ze te praten.
“Je grootvader ontdekte dat Willem niet alleen geld stal. Hij ontdekte dat er iemand achter hem stond.”
“Wie?”
“Een zakenpartner.”
“Welke?”
Ze schudde haar hoofd.
“Ik weet het niet.”
“Je weet het wel.”
“Ik kende zijn naam.”
“Wie?”
Ze keek naar Thomas.
Hij keek terug.
Toen zei mijn moeder:
“Robert Meijer.”
Ik voelde een rilling over mijn rug.
“De accountant?”
“Ja.”
“Maar waarom zou hij opa vermoorden?”
“Omdat je grootvader bewijs had.”
Thomas reed sneller.
“Waar is Robert nu?”
Mijn moeder antwoordde:
“Waarschijnlijk nog steeds waar hij toen was.”
“Waar?”
“Bij het hotel.”
We kwamen een uur later aan.
Hotel De Linden stond bijna leeg.
De receptionist keek nauwelijks op toen we binnenkwamen.
Ik legde de oude foto op de balie.
“Ken je deze man?”
Hij keek ernaar.
Zijn gezicht veranderde nauwelijks.
“Robert?”
Ik knikte.
“Hij heeft hier ooit verbleven.”
“Wanneer?”
“Jaren geleden.”
“Welke kamer?”
De receptionist aarzelde.
“217.”
Mijn hart sloeg sneller.
“Is hij daar nu?”
Hij keek naar de klok.
“Dat weet ik niet.”
We liepen naar boven.
De deur van kamer 217 stond op een kier.
Thomas duwde hem voorzichtig open.
De kamer was leeg.
Maar op het bed lag een envelop.
Mijn naam stond erop.
Voor Emma.
Ik opende hem.
Binnen zat een sleutel.
En een brief.
Als je dit hebt gevonden, betekent het dat Willem zijn controle over jou kwijt is. Dat is goed. Maar vertrouw niemand volledig. Zelfs niet de mensen die zeggen dat ze je willen beschermen.
Ik keek naar Thomas.
Hij las mijn gezicht.
“Wat staat erin?”
Ik gaf hem de brief.
Onderaan stond een laatste zin:
De persoon die je zoekt, is dichterbij dan je denkt.
Toen hoorde ik beneden een deur dichtslaan.
Thomas keek op.
“Blijf hier.”
“Nee.”
“Emma.”
“Ik ga mee.”
We renden de trap af.
Buiten stond een zwarte auto.
De motor draaide.
De auto reed weg.
Thomas probeerde het kenteken te onthouden.
“Te laat.”
Ik keek naar mijn moeder.
Ze stond stil.
Alsof ze iets had gezien.
“Moeder?”
Ze wees naar de auto.
“Ik ken die wagen.”
“Van wie?”
Ze antwoordde niet.
Toen zag ik iets op de grond liggen.
Een kleine envelop.
Ik pakte hem op.
Binnen zat een oude foto.
Ik draaide hem om.
Op de foto stonden mijn vader, Robert en mijn grootvader.
Maar dat was niet alles.
Achter hen stond een vierde persoon.
Een jonge vrouw.
Ik herkende haar meteen.
“Dat ben jij.”
Mijn moeder keek naar de foto.
Ze begon te huilen.
“Ja.”
“Wanneer was deze foto genomen?”
“Een jaar voordat jij geboren werd.”
Ik keek naar haar.
“Waarom was jij daar?”
“Je grootvader had mij gevraagd om hem te helpen.”
“Waarmee?”
Ze keek naar de grond.
“Met het verbergen van het geld.”
Ik voelde mijn hoofd duizelen.
“Welk geld?”
“Het geld dat Willem had gestolen.”
“Je zei dat opa het had veiliggesteld.”
“Dat had hij.”
“Waar?”
Ze keek naar mij.
“Op een rekening die op jouw naam stond.”
Ik staarde haar aan.
“Maar ik was nog niet geboren.”
“Precies.”
Ik begreep het niet.
Thomas keek naar mijn moeder.
“Marijke…”
Ze schudde haar hoofd.
“Er is meer.”
Ik voelde mijn maag samenknijpen.
“Wat?”
“Je grootvader wist dat Robert hem wilde verraden.”
“Dus waarom vertrouwde hij hem?”
“Omdat Robert niet de vijand was.”
Ik keek haar verbaasd aan.
“Wat bedoel je?”
“Hij deed alsof hij voor Willem werkte.”
“Maar voor wie werkte hij dan?”
Mijn moeder keek me recht aan.
“Voor je grootvader.”
Op dat moment ging mijn telefoon.
Een bericht.
Een onbekend nummer.
Kom alleen naar het oude station.
Daaronder stond:
Je wilt weten wie je grootvader heeft vermoord.
Ik liet mijn telefoon aan Thomas zien.
“Je gaat niet alleen,” zei hij.
“Misschien moet ik dat wel.”
“Nee.”
Mijn moeder pakte mijn hand.
“Emma, ga.”
Ik keek haar verbaasd aan.
“Waarom?”
“Omdat ik denk dat dit de kans is waar je grootvader op wachtte.”
“Welke kans?”
Ze fluisterde:
“De kans om eindelijk te weten wie onze familie al die jaren heeft vernietigd.”






