DEEL 7 — DE KELDER VAN MIJN GROOTVADER
Het oude kantoor van mijn grootvader stond aan de rand van de stad.
Ik was er al jaren niet geweest.
Toen ik klein was, kwam ik er vaak.
Mijn grootvader liet me altijd in zijn grote leren stoel zitten en zei lachend dat ik later de baas zou worden.
Ik had nooit begrepen wat hij daarmee bedoelde.
Tot nu.
De marshal liep voor ons uit.
Mijn moeder volgde mij zwijgend.
Thomas was inmiddels ook gearriveerd.
Toen ik hem zag, bleef ik even staan.
“Jij wist hiervan?”
Hij schudde zijn hoofd.
“Niet alles.”
“Maar je wist dat mijn grootvader betrokken was.”
“Ja.”
“Waarom vertelde je me dat nooit?”
“Omdat ik beloofd had te wachten.”
“Op wat?”
“Op jou.”
Ik keek hem verbaasd aan.
“Mijn grootvader wilde niet dat iemand je de waarheid vertelde. Hij wilde dat jij zelf besloot of je hem wilde zoeken.”
We liepen naar de kelder.
De deur was oud.
Er zat geen slot op.
Maar achter de deur bevond zich een tweede metalen deur.
Ik haalde de sleutel uit mijn zak.
Hij paste.
Een klik.
De deur ging open.
Een koude luchtstroom kwam ons tegemoet.
Binnen stond bijna niets.
Alleen een houten tafel.
Een oude lamp.
En een metalen kast.
Mijn moeder bleef bij de ingang staan.
“Ik ben hier nooit binnen geweest.”
Thomas keek haar aan.
“Jan heeft deze ruimte voor iedereen verborgen gehouden.”
Ik liep naar de kast.
Er zat een cijferslot op.
“Heb je een idee?”
Thomas schudde zijn hoofd.
Ik keek naar de brief.
Op de achterkant stond een datum.
14 juni 2006.
Ik dacht na.
“Dat was de dag waarop opa jarig was.”
Ik probeerde 1406.
Het slot klikte.
De kast ging open.
Binnen lagen tientallen documenten.
Bankafschriften.
Contracten.
Foto’s.
En een zwarte map.
Op de voorkant stond mijn naam.
EMMA.
Ik pakte hem.
Mijn moeder kwam dichterbij.
“Open hem.”
Ik deed het.
Het eerste document was een verklaring van mijn grootvader.
Daarin stond dat mijn vader jarenlang geld uit het bedrijf had gehaald.
Maar dat was niet het ergste.
Onder de verklaring stond een tweede naam.
Thomas de Vries.
Ik keek naar hem.
“Waarom staat jouw naam hierin?”
Hij werd bleek.
“Ik wist dat hij je vader onderzocht.”
“Maar waarom jij?”
Thomas slikte.
“Omdat ik degene was die hem hielp.”
“Waarmee?”
“Met het controleren van de boekhouding.”
Ik voelde woede opkomen.
“Dus jij wist alles?”
“Nee.”
“Je liegt.”
“Emma, ik wist dat Willem fraude pleegde. Ik wist alleen niet hoe ver het ging.”
Ik sloeg de map dicht.
“Mijn hele leven is blijkbaar een leugen.”
Mijn moeder legde een hand op mijn schouder.
“Niet alles.”
Ik keek haar aan.
“Wat dan?”
“Jouw grootvader hield van je. Dat was echt.”
Ik bladerde verder.
Toen vond ik een foto.
Mijn vader.
Mijn grootvader.
En een derde man.
Ik kende hem.
Ik had hem honderden keren gezien.
“Wie is dat?”
Thomas keek naar de foto.
Zijn gezicht veranderde.
“Dat is…”
“Wie?”
Hij antwoordde niet.
Mijn moeder fluisterde:
“Robert.”
“Welke Robert?”
“Robert Meijer.”
Ik kende die naam.
Hij was jarenlang de accountant van mijn vaders bedrijf.
Maar volgens mijn vader was Robert acht jaar geleden overleden.
Ik keek opnieuw naar de foto.
Op de achterkant stond:
Hij weet waar het geld is.
Mijn hart sloeg sneller.
“Robert leeft?”
Thomas knikte langzaam.
“Volgens mij wel.”
“Waarom zei papa dat hij dood was?”
Niemand antwoordde.
Ik pakte de volgende envelop.
Daarin zat een brief van mijn grootvader.
Deze keer was de boodschap langer.
Hij schreef dat Willem niet alleen geld had gestolen.
Hij had iemand geholpen om aandelen van het bedrijf via geheime constructies over te dragen.
Als die documenten ooit openbaar zouden worden, zou het bedrijf instorten.
Maar één persoon had de originele bewijsstukken.
Robert.
Ik keek naar mijn moeder.
“Waar is hij?”
Ze schudde haar hoofd.
“Ik weet het niet.”
Thomas keek naar de brief.
“Er moet een aanwijzing zijn.”
We doorzochten de kast.
Toen vond ik onderin een klein notitieboekje.
Op de laatste pagina stond één adres.
Een oud hotel.
Daaronder:
Kamer 217.
Ik keek naar Thomas.
“Daar gaan we heen.”
Op dat moment ging mijn telefoon.
Een onbekend nummer.
Ik nam op.
“Hallo?”
Niemand antwoordde.
Toen hoorde ik een mannenstem.
“Emma.”
Ik verstijfde.
“Wie bent u?”
“Je hebt de kamer gevonden.”
Mijn bloed werd koud.
“Wie bent u?”
Een korte stilte.
Toen zei hij:
“Vraag je moeder waarom je grootvader werkelijk is gestorven.”
De verbinding werd verbroken.
Ik keek langzaam naar mijn moeder.
Ze was lijkbleek.
“Wat bedoelde hij?”
Ze antwoordde niet.
“Moeder?”
Ze begon te huilen.
En toen zei ze iets wat mijn hele wereld opnieuw deed instorten.
“Je grootvader is niet gestorven aan een hartaanval.”
Ik voelde mijn benen slap worden.
“Wat?”
“Hij is vermoord.”
De kelder werd plotseling doodstil.
En ergens buiten begon een auto langzaam weg te rijden.






