DEEL 3 — Ik stond op mijn eigen begrafenis
De volgende ochtend werd ik naar een kleine kamer gebracht.
Daar lag een zwarte jurk klaar.
Rechercheur Harris stond naast me.
“Je weet zeker dat je dit wilt?”
Ik keek in de spiegel.
Mijn gezicht was bleek.
Er zat een litteken langs mijn slaap.
Mijn haar was nog nat van de douche.
Maar ik herkende mezelf.
“Ja.”
Harris gaf me een map.
“Je nieuwe identiteit voor vandaag.”
Ik keek ernaar.
“Emily Carter.”
“Niemand op de begrafenis mag weten wie je bent.”
“Behalve jij.”
“En de rechercheurs buiten.”
Ik knikte.
“Waar is Brandon?”
“Hij is al onderweg.”
Ik ademde diep in.
Voor het eerst sinds de klif zou ik hem zien.
Niet als echtgenote.
Maar als getuige.
De begrafenis vond plaats in een kleine kerk buiten de stad.
Toen ik aankwam, stonden er tientallen mensen.
Familie.
Vrienden.
Collega's.
En midden tussen hen stond Brandon.
In een perfect zwart pak.
Zijn gezicht was ernstig.
Bijna verdrietig.
Maar ik kende hem.
Ik wist wanneer hij acteerde.
Gretchen stond naast hem.
Ze droeg een zwarte jurk.
Haar hand lag op zijn arm.
Alsof zij degene was die hem troostte.
Ik voelde mijn maag draaien.
Brandon keek naar de kist.
Mijn kist.
Ik stond op nog geen twintig meter afstand.
Levend.
Hij liep naar voren.
“Mijn vrouw was een geweldige vrouw.”
Ik moest bijna lachen.
Mijn vrouw.
Hij zei het alsof hij werkelijk van me had gehouden.
“Ik kan nog steeds niet geloven dat ze er niet meer is.”
Gretchen veegde een traan weg.
Een perfecte traan.
Geacteerd.
Brandon legde zijn hand op haar schouder.
“Ze hield van haar ongeboren kind.”
Ik klemde mijn kaken op elkaar.
“Ze wilde zo graag moeder worden.”
Mijn handen begonnen te trillen.
Want hij wist niet dat zijn dochter nog leefde.
En dat zij hem later misschien alles zou vragen.
De dominee sprak over liefde.
Over verlies.
Over een tragisch ongeluk.
Ik keek naar de mensen om me heen.
Ze geloofden hem.
Iedereen.
Tot Brandon aan het woord kwam.
Hij stond voor de kist.
“Ik zal haar nooit vergeten.”
Een vrouw achter mij snikte.
Brandon keek naar de kist.
“Ze was mijn alles.”
Ik fluisterde:
“Leugenaar.”
Niemand hoorde me.
Behalve Harris, die achterin stond.
Toen kwam het moment waarop ik bijna brak.
Brandon keek naar Gretchen.
Niet lang.
Maar lang genoeg.
Hun blikken kruisten elkaar.
Een klein glimlachje verscheen.
Precies zoals ik had gehoord.
De vijftig miljoen waren nog niet eens uitgekeerd.
Maar hij vierde het al.
Na de dienst liepen mensen naar buiten.
Ik bleef staan.
Ik wilde weg.
Maar toen hoorde ik Brandon praten.
Ik draaide me om.
Hij stond achter de kerk met Gretchen.
Ik bleef in de schaduw.
“Wanneer komt het geld?”
Gretchen vroeg het zacht.
“Binnen enkele dagen.”
“Vijftig miljoen?”
“Misschien meer.”
“En daarna?”
Brandon lachte.
“Dan kopen we het huis aan de kust.”
Mijn handen balden zich tot vuisten.
Gretchen kuste hem.
“Eindelijk zijn we vrij.”
Ik voelde iets in mij breken.
Niet van verdriet.
Van woede.
Toen zei Brandon iets waardoor ik wist dat hij nog gevaarlijker was dan ik dacht.
“Er is alleen één probleem.”
“Wat?”
“De baby.”
Gretchen keek hem aan.
“Wat bedoel je?”
“Als het kind leeft…”
Hij stopte.
“Dan kan het geld ingewikkeld worden.”
Gretchen keek geschrokken.
“Maar de baby was toch bij haar?”
“Ja.”
“Dus dood?”
Brandon knikte.
“Dat moet.”
Ik voelde mijn adem verdwijnen.
Mijn dochter.
Hij wist niet dat ze leefde.
Maar hij wilde haar dood.
Gretchen fluisterde:
“Brandon, je zei dat het ongeluk alles zou oplossen.”
“Dat doet het ook.”
“En als het kind het heeft overleefd?”
Hij keek haar koud aan.
“Dan moeten we het probleem oplossen.”
Ik voelde mijn benen trillen.
Harris kwam naast me staan.
“Heb je genoeg gehoord?”
Ik knikte.
“Meer dan genoeg.”
“Dan kunnen we hem arresteren.”
“Nog niet.”
“Waarom niet?”
“Hij heeft nog niet verteld wie hem heeft geholpen.”
Harris keek me aan.
“Gretchen?”
“Misschien.”
Ik dacht terug aan de klif.
Gretchen wist precies waar we zouden zijn.
Ze wist van de verzekering.
Ze wist zelfs dat Brandon van plan was mij te doden.
Maar er moest iemand zijn die de verzekering had geregeld.
Iemand die toegang had tot de documenten.
Iemand die wist hoe je een lichaam kon laten verdwijnen in de bergen.
Die avond kreeg Harris een bericht.
Ze liet me het scherm zien.
Een onbekend nummer had een foto gestuurd.
Een foto van mij.
In het ziekenhuis.
Mijn hart stopte.
“Wie heeft deze foto?”
“Dat proberen we uit te zoeken.”
Toen kwam er nog een bericht.
JE BENT NIET DE ENIGE DIE WE IN DE GATEN HOUDEN.
Daarna:
BRANDON IS SLECHTS EEN PION.
Ik keek naar Harris.
“Wie zit hierachter?”
Ze schudde haar hoofd.
“We weten het niet.”
Mijn telefoon trilde.
Een nieuw bericht.
Dit keer van mijn eigen nummer.
Ik opende het.
Er stond:
IK WEET DAT JE LEEFT.
Mijn bloed werd koud.
Daaronder stond:
EN IK WEET WAAR JE DOCHTER LIGT.
Ik rende naar de neonatologie.
Maar toen ik daar aankwam, stond een verpleegkundige buiten de kamer.
Ze keek naar mij.
“Mevrouw…”
“Waar is mijn dochter?”
Ze antwoordde niet.
Mijn hart stopte bijna.
“Waar is mijn dochter?”
Toen zei ze:
“Ze is weg.”






